Sterke beelden in ‘Iron Island’

Iron Island (Jazireh ahani). Regie: Mohammad Rasoulof. Met: Ali Nassirian, Hossein Farzi-Zadeh, Neda Pakdaman. In: Filmmuseum, Amsterdam.

Ergens in de Perzische Golf, voor de Iraanse kust, is een enorme olietanker gestrand. Maar in plaats van dat het schip daar ligt te wachten tot tijd en getijden het naar de zeebodem hebben verbannen, is er aan boord een levendige gemeenschap ontstaan met de kapitein als koning, dokter, professor en profeet. Deze kapitein Nemat wordt gespeeld door Ali Nassirian, een ster uit de Iraanse mainstreamfilm, onbekend bij het Westerse filmhuispubliek, dat weliswaar goed op de hoogte is van de Iraanse kunstfilm, maar minder bekend met het babbelzieke publieksgenre waar Nassirian ook in deze film een staaltje van laat zien.

Het is een wereldvreemde microkosmos, daar tussen kraaiennest en ruim, waar het leven goedkoper is dan aan land, en de bewoners in hun bestaan voorzien door onderdelen van het langzaam zinkende schip verder te verkopen. Zo bouwen ze aan hun eigen samenleving terwijl ze hem afbreken. De anonieme eigenaars van de boot zijn intussen al lang van plan de roestbak aan de hoogste bieder te verkwanselen.

Het is natuurlijk altijd verleidelijk om in films uit landen waar de censor over de schouders van filmmakers meekijkt politieke metaforen te zien. En in Iron Island (Jazireh ahani), de tweede film van de Iraanse regisseur Mohammad Rasoulof (1973) ligt het sociale engagement er duimendik bovenop. Bovendien behoren de personages in de film tot de Iraanse bandari-minderheid, Arabische kustbewoners die als soennieten in het sjiïtische Iran dubbel in de minderheid zijn. Voor de Westerse toeschouwer zal dat allemaal niet direct herkenbaar zijn. Maar de kleurige, geborduurde boerka’s, met maskerachtig gezichtsdeel wijken duidelijk af van de vleermuisachtige chadors die we uit het werk van Jafar Panahi en Mohsen Makhmalbaf kennen.

Los van dit alles vindt de Sisyfus-arbeid van de bootbewoners plaats in zo’n fenomenaal filmisch en gefilmd decor, dat de didactische toon van Iron Island (sowieso niet ongewoon in de Iraanse cinema) al snel verstomt in het geklaag en geween van de roestige schroeven en opgaat in de duik van een vliegervogel (een geketende duif van Noach). Deze beelden zijn te sterk voor simpele betekenissen.