Rudeboys, coconuts en MTV in Londonstani

In zijn geruchtmakende debuut ‘Londonstani’ schetst Gautam Malkani een portret van Brits-Aziatische hiphoppers. Jeugdcultuur, seksisme, racisme, criminaliteit - uitgevers overal ter wereld watertandden.

Doorschijnend ziet hij eruit, auteur Gautam Malkani (Londen, 1976). Zo bleek en moe. Dat komt: hij leidt een dubbelleven. Bij de Financial Times, waar hij redacteur is van de ‘Creative Business’ pagina’s, heeft hij sinds de verschijning van zijn debuutroman Londonstani een part-time contract. Maar „je weet hoe dat gaat in de journalistiek”, zegt de schrijver op zaterdagochtend in een vettig ruikende coffeeshop.

„Gisteravond zat ik tot half elf op kantoor. En dan ben ik nog niet eens een nieuwsjager. Ik heb de laatste jaren veel scoops gemist, omdat ik al mijn vrije tijd aan Londonstani wilde besteden. Op de krant wist niemand dat ik met een boek bezig was. Ik wist zelf niet eens of ik er wel een uitgever voor zou vinden.”

Achteraf klinkt dat bijna koket: Malkani kreeg van het Britse Fourth Estate een royaal voorschot (hij zwijgt over het precieze bedrag, maar noemt de 300.000 pond waar de pers gewag van maakte „overdreven”) voor Londonstani en een volgende roman, waarvan de contouren nu alleen nog in zijn hoofd bestaan. Uitgeverij Rothschild & Bach hoestte zo’n 50.000 euro op voor de Nederlandse vertaalrechten.

De pitch van Londonstani: debutant van Brits-Aziatische afkomst beschrijft in echte straattaal het leven van vier jongens uit Hounslow, een grauwe buitenwijk in West-Londen. Jongeren, kleine criminaliteit, racisme, seksisme: de thema’s deden ook uitgevers in de VS, Canada en India bij voorbaat watertanden.

Toen Londonstani in mei dit jaar uitkwam, werd de hype deels ontkracht door de literaire kritiek, die niet altijd lovend was. Dat verbaasde Malkani niet. Hij had zijn boek opzettelijk volgestopt met „anti-literaire dingen”. Maar op één kritiekpunt was hij niet voorbereid: Londonstani zou niet authentiek zijn. Malkani, nog steeds zichtbaar geïrriteerd: „Dat is een oneigenlijke aanklacht, die voortkomt uit het idee dat elk boek van een Aziatische schrijver de hele gemeenschap moet vertegenwoordigen. Wat een onzin. Ik beschrijf een deel ervan, het deel waar ik toevallig zelf uit voortkom en waarnaar ik degelijk onderzoek heb gedaan. Hounslow is geen ghetto, dat heb ik nooit beweerd; het is juist middle class. Mijn hoofdpersonen leven in een pretend-ghetto, dat ze met hun kleding en hun taaltje in stand houden.”

Waarom? Wat is hun drijfveer om zich als hiphoppers voor te doen?

„De hiphop-cultuur biedt ze iets wat de Indiase niet heeft: onversneden, pure viriliteit. In mijn boek, net als in Bollywood-films, hebben de moeders het thuis voor het zeggen. De jongens hebben geen enkele emotionele band met hun vader. Het ontbreekt ze aan een mannelijk rolmodel, en dus halen ze dat van de straat en van MTV, en jutten ze elkaar op. Er zit geen grens aan hoe macho ze kunnen worden.”

Vindt u dat gevaarlijk? Uw vier hoofdpersonen ontsporen erdoor.

„Tien jaar geleden maakte ik me zorgen. Mijn vrienden op de universiteit werden totally hardcore Indians, en ik viel erbuiten – omdat ik niet naar Amerikaanse hiphop luisterde, maar naar Indiase muziek! Ze werden zo radicaal dat ze zich van de maatschappij af dreigden te keren. Ik wilde journalist worden, en dus moest ik me aanpassen. Nu gaat het veel beter. Er is een Indiase subcultuur ontstaan die je niet weg hoeft te stoppen om te slagen. In de muziek en de sport zijn er nu uitgesproken Brits-Indiase rolmodellen. En we komen de Londense nachtclubs binnen – dat kon je in de jaren tachtig wel vergeten. ‘Subcultuur’ is een veel positiever begrip dan ‘etniciteit’: een subcultuur is poreus, beweeglijk, staat in contact met zijn omgeving. Je kunt er lol mee hebben.”

De basis voor ‘Londonstani’ legde u aan het slot van een studie sociale wetenschappen. Hoe werd dat onderzoek een roman?

„Ik wilde een proefschrift schrijven over de rudeboys (stoere jongens) en de coconuts (watjes, softies) van Hounslow. Daarvoor heb ik uitgebreid veldwerk gedaan, tientallen interviews gehouden, maar het proefschrift heb ik nooit afgemaakt. Mijn moeder was ziek en ik moest aan het werk, dat begreep mijn begeleider ook. Ik beloofde hem dat ik van het materiaal later een non-fictie boek zou maken. Na vier jaar bedacht ik dat ik veel liever een roman wilde schrijven, waar de jongeren zelf iets aan zouden vinden.”

En is u dat gelukt? Lezen ze uw boek?

„Ik geloof het, ja. Ik heb zelfs mijn neefjes weleens betrapt terwijl ze voor hun Playstation verdiept waren in míjn boek. Cool, hè?

Gautam Malkani, ‘Londonstani’, 22,75 euro. De Nederlandse vertaling (19,95 euro) is vanaf morgen te koop.