Leg macht geestelijke leiders aan banden

Jonathan Israel heeft terecht gewezen op het primaat van vrijheid van meningsuiting. Het moet wel om argumenten gaan, onderstreept Wim Klever.

Jonathan Israel heeft zaterdag in Opinie & Debat glashelder aangetoond welke verandering de kennis van Spinoza’s argumenten voor de hoogst heilzame werking van een onbeperkte vrijheid van meningsuiting in onze hedendaagse politieke discussie en politieke praktijk teweeg kan brengen. De vrijheid van meningsuiting is inderdaad door niemand zo uitgebreid, zo systematisch, zo uitbundig, zo wijs en fanatiek verdedigd als door Spinoza.

Wel hield zijn leermeester Van den Enden vijf jaar eerder in zijn Vrye Politijke Stellingen (1665) ook al een vurig en gedurfd pleidooi voor de „vryheit van reedens-gebruik”, waarmee dan niet het onbelemmerde denken werd bedoeld, maar een publiek optreden. Van den Endens term ‘vryheit van reedens-gebruik’, die hij terloops ook nog toelicht met ‘het hanteren van onbetwijfelbare redenen’, toont aan dat de heden ten dage gangbare term daarvoor, te weten ‘vrijheid van meningsuiting’, ongelukkig is, omdat deze suggereert dat je zo maar meningen en gevoelens moet kunnen uiten. Zij wordt ook nergens door Spinoza gebruikt.

Spinoza heeft het steeds over ‘libertas philosophandi’. Letterlijk vertaald betekent dit ‘vrijheid om te filosoferen’. Deze vertaling is echter misleidend omdat hier geenszins filosoferen in de hedendaagse betekenis is bedoeld. ‘Philosophia’ betekende in de zeventiende eeuw gewoon ‘wetenschap’, liefst natuurwetenschap. Libertas philosophandi beduidt dus vrijheid van wetenschapsbeoefening en publicatie daarvan. Wij mogen dit wel in ruime zin nemen als vrijheid van redeneren en betogen, maar geenszins zo ruim dat alle mogelijke gevoelsuitbarstingen, verdachtmakingen en beschuldigingen daaronder vallen.

Spinoza stelt duidelijk een tweevoudige grens aan de libertas philosophandi. Ten eerste mag het publieke betoog niet opruiend zijn, rebellie prediken of burgerlijke ongehoorzaamheid aanprijzen (zoals in Nederland al tientallen jaren niet alleen door de slappe overheid getolereerd wordt, maar ook nog modern en links wordt gevonden). Verder mag het publieke betoog medeburgers nimmer te schande zetten, hen niet belachelijk maken, bespotten of veroordelen omdat daardoor de maatschappelijke cohesie in gevaar komt. Spotprenten van wat anderen heilig achten, zouden zeker niet Spinoza’s goedkeuring krijgen. Niet emotioneel of op hoge en plechtstatige toon, maar met argumenten kan men in ‘een vrije republiek’ alles als onjuist of ondoelmatig bestrijden wat gelovigen als heilig en onaantastbaar beschouwen of ’s lands wetten als te doen of te laten voorschrijven.

Een andere kanttekening bij het stuk van Israel geldt de tegenstelling die de auteur maakt tussen Spinoza (of de radicale verlichting) enerzijds en John Locke (of de gematigde of ‘christelijke’ verlichting) anderzijds. Dit betreft in feite de theorie of praktijk van verdraagzaamheid.

Het is juist dat Spinoza in zijn Tractatus theologico-politicus (TTP) binnen bovengenoemde wettelijke grenzen allerhande godsdienstig gedrag of godsdienstige uitingen volledig in overeenstemming acht met een vrije republiek. Dit kan men met latere Franse verlichtingsdenkers ‘tolerantisme’ noemen, mits men maar vasthoudt aan Spinoza’s theorie van het absolute overheidsgezag in een samenleving, op grond waarvan volgens hem ‘zero-tolerance’ geboden is. Uitsluitend in een republica corrupta „wordt onrecht geduld en geeft men in alles toe aan misdadigers” (TTP, hoofdstuk VII). In tegenstelling tot Spinoza’s volstrekte ‘tolerantisme’ zou Locke uitsluitend gericht zijn op een vreedzame coëxistentie tussen de verschillende confessies die elkaar in de zestiende en zeventiende eeuw te vuur en te zwaar bestreden en tot in de achttiende eeuw verketterden. Dit heet Lockes ‘christelijke benadering’ van het vraagstuk verdraagzaamheid.

Nu is het op zich al dubieus om Locke christelijk te noemen en daarentegen Spinoza niet, waar Spinoza zelf nadrukkelijk aanspraak maakte op het epitheton ‘christelijk’.

Locke is in dezelfde zin een aanhanger van ‘de geest van Christus’ als Spinoza. Ook hij ontkent de mogelijkheid van een goddelijke Openbaring. Ook hij ontkent de feitelijkheid van wonderen als inbreuken op de onveranderlijke natuurwetten. Ook onttrekt hij elk epistemologisch fundament aan zoiets als een goddelijke voorzienigheid. Ook volgens hem is het godsdienstig geloof niets dan de laagst mogelijke vorm van ‘assent’, die niets dan een voorstelling van de verbeelding is.

Lockes bestrijding van interkerkelijke onverdraagzaamheid komt hierop neer, dat hij laat zien dat in zulke gevallen van onderlinge verkettering van christenen in feite de dienaren of pastores van de ene kerk zich overheidsgezag en de strategische middelen daarvan aanmatigen, of daar aanspraak op maken. Dit om daarmee andere kerken of andere christenen te vervolgen en het leven onmogelijk te maken. Dat is niets minder dan een toepassing van de beginselen, die Spinoza had uiteengezet.

Als tegenargument voert Israel aan dat Locke zowel katholieken als atheïsten uit de politieke gemeenschap wil weren. Zo schrijft Locke inderdaad. Maar men dient de context en redengeving mee te nemen. Katholieken zijn deloyaal tegen de burgerlijke overheid voorzover zij metterdaad de suprematie van het pauselijke gezag boven dat van de eigen overheid erkennen. Voorzover zij dus de ‘service of another prince’ cultiveren. Mutatis mutandis accepteren wij nu evenmin godsdienstige gemeenschappen die hun handelen richten naar wetten of voorschriften uit het islamitische Midden-Oosten. En wat de ontoelaatbaarheid van ‘atheïsten’ betreft, dient men te bedenken dat dit ‘atheïsme’ voor Locke hier niet primair een theoretische kwalificatie is, maar de aanduiding van iemand die zich aan god noch gebod stoort. Hieruit blijkt de anarchistische connotatie van Lockes begrip van atheïsme, die precies evenzo bij Spinoza aanwezig is .

Wat de hoofdzaak van Israels betoog betreft, heb ik geen enkele bedenking. Integendeel, ik zou wensen dat het zo verwarde schrijven van alle polemisten, columnisten en verantwoordelijke politici in Nederland over de strekking en de les van de Verlichting daardoor eens ten einde kwam. Het is hoog tijd dat ons erfgoed (en dat van Locke, die vijf jaar in Holland woonde) nu eens de koers gaat bepalen van de samenleving, de wetgeving en de politiek.

Dit houdt onder meer in dat de macht van geestelijke leiders sterk aan banden wordt gelegd en dat religieuze indoctrinatie van jonge kinderen, het verderfelijke resultaat van een voormalig monsterverbond, eindelijk eens wordt uitgebannen. Er is geen partij die daar haar handen aan wil branden.

Wij zouden bij Van den Enden en Spinoza in de leer moeten gaan om te achterhalen hoe een echte, directe, democratie er uitziet.

Wim Klever is filosoof. Hij is de auteur van ‘Definitie van het christendom. Spinoza’s TTP opnieuw vertaald en toegelicht’ (1999).

Het artikel van Jonathan Israel is na te lezen op www.nrc.nl/opinie.