Ja fijn, modern gezellig

„De Zuidas moet gezellig worden.” Dit korte zinnetje stond zes jaar geleden plompverloren in de presentatie van de plannen voor de nieuwe zaken- en woonwijk in Amsterdam. Het was een opzienbarend zinnetje, want tot dan toe was gezelligheid anathema in de Nederlandse stedenbouw en architectuur. Gezelligheid heeft weliswaar de reputatie van een onvervalst Nederlands begrip, maar bij vaderlandse architecten riep het slechts weerzin op. Ze wilden een gebouw maken dat hedendaags was of, liever nog, vooruitwees naar de toekomst. Of ze wilden de gebruiker confronteren met vragen over wonen en architectuur. Desnoods wilden ze ook wel subversief zijn. Als ze maar niet gezellig hoefden te zijn.

Inmiddels is er veel veranderd. De afgelopen jaren zijn er, na het succes van de neotraditionalistische Vinex-wijk Brandevoort in Helmond, overal in Nederland nieuw-oude woonbuurten verschenen. Hun vorm varieert – soms zijn het vestingstadjes, dan weer eilanden – maar één ding hebben ze gemeen: ze willen allemaal nadrukkelijk gezellig zijn. Daarom hebben ze nauwe straatjes en besloten pleintjes die worden omgeven door bakstenen woningen met pannen puntdaken. Wethouders, projectontwikkelaars en bewoners zijn er dol op, zodat Nederland de komende jaren nog veel gezellige wijken tegemoet kan zien.

Maar de neotraditionalistische gezelligheid van Brandevoort is niet het soort gezelligheid dat Pi de Bruijn, de supervisor van de plannen voor de Zuidas, zes jaar geleden voor ogen stond. Hij wilde „moderne gezelligheid” en zette daarom niet Rob Krier, de Luxemburgse architect die nu overal in Nederland vestingstadjes bouwt, aan het werk, maar een keur aan internationale sterren, modern en postmodern.

Bij de Zuidas moet niet zozeer de architectuur als wel de stedenbouw zorgen voor gezelligheid. Hiervoor heeft De Bruijn goed gekeken naar het Berlijn van na de val van de Muur, waar het stadsbestuur een nieuwe, maar wel traditioneel ‘Europese’ hoofdstad wilde. Net als in Berlijn wil De Bruijn op de Zuidas geen brede, maar juist smalle straten met ononderbroken gevelwanden, en niet alleen kantoren, maar een menging van wonen en werken. Vooral dit laatste is belangrijk voor De Bruijn: zonder een flink aantal bewoners wordt de Zuidas volgens hem beslist geen gezellige wijk.

Of de geplande 9.000 woningen genoeg zijn voor gezelligheid is de vraag. Er zijn experts die beweren dat het er veel meer moeten zijn voor een beetje reuring op de toekomstige Zuidas-straten. Een andere vraag is of gezellige stedenbouw alleen wel genoeg is voor gezelligheid. Is moderne gezelligheid eigenlijk wel mogelijk? De eerste kantoortorens die nu op de Zuidas zijn neergezet, geven weinig hoop op een bevestigend antwoord op deze vraag. Het ABN-Amro-kantoor van SOM, de kantoortoren met het gat van Toyo Ito, de balk met sleuven van Rafael Vinoly – lelijk zijn ze niet, maar het is wel het soort gebouwen dat je overal op de wereld, van Vancouver tot Hongkong, tegenkomt. Tot nu toe is er op de Zuidas vooral internationale niksigheid gebouwd: Amsterdamse gezelligheid is er ver te zoeken.

Bernard Hulsman

woensdag@nrc.nl