Huisartsen zijn minder vaak bij hun patiënten

Nederlandse huisartsen zijn meer tevreden over het zorgstelsel waarin ze werken dan huisartsen in andere landen. Wel zijn ze langer bezig met hun financiën en administratie.

Huisartsen deden eind vorig jaar nog hun praktijken dicht om te staken tegen de invoering van een nieuw zorgstelsel. Maar nu, in een internationaal vergelijkend onderzoek van de afdeling Kwaliteit van zorg van het UMC St Radboud dat vandaag gepresenteerd werd, is 52 procent van de huisartsen het eens met de volgende stelling over het zorgstelsel: „In grote lijnen werkt het goed”. In geen ander land vonden zoveel huisartsen dat over hun gezondheidszorgsysteem; in Duitsland was 4 procent het met die stelling eens, in de Verenigde Staten 13 procent.

Nederlandse huisartsen zijn heel tevreden in vergelijking met hun collega’s in Australië, Canada, Duitsland, Groot-Brittannië, Nieuw Zeeland en de Verenigde Staten. Tevreden over het zorgstelsel. Tevreden over hun inkomen en over de „vrijheid die ze ervaren om medische beslissingen te nemen die aansluiten bij datgene wat de patiënt nodig heeft”.

In tegenstelling tot wat huisartsen vreesden, zijn ze dit jaar meer gaan verdienen en hebben ze naar eigen zeggen nog geen last gehad van medisch inhoudelijke bemoeienissen van verzekeringsmaatschappijen. Die lijken juist steeds meer het belang van huisartsenzorg in te zien. Want wat de huisarts doet, hoeft een duurdere medisch specialist niet te doen.

Huisartsen zijn de afgelopen jaren al steeds meer dingen gaan doen die voorheen alleen in het ziekenhuis werden gedaan, zegt Arno Timmermans, voorzitter van het Nederlands Huisartsengenootschap. Kleine chirurgische ingrepen, wratten en goedaardige tumoren weghalen, hartfilmpjes maken en beoordelen en steeds vaker doen ze ook aan tele-dermatologie. Daarbij maakt een huisarts een foto van de huid en stuurt die door naar een specialist in het ziekenhuis ter beoordeling. Ze begeleiden mensen met hart- en vaatziekten, diabetes mellitus en andere chronische ziekten. En omdat mensen steeds sneller uit het ziekenhuis worden ontslagen, doen huisartsen ook meer aan nazorg.

Daar krijgen ze hulp bij. Sinds 1999 hebben huisartsen steeds vaker een praktijkverpleegkundige in dienst. Die neemt taken over, zoals het meten van de bloeddruk en eenvoudige longonderzoeken. Timmermans: „Ook de doktersassistente heeft meer taken gekregen dan vroeger, toen ze alleen de telefoon opnam. Nu spuit ze bijvoorbeeld ook de oren uit en behandelt ze wratten.”

Patiënten willen dat ook graag. Wat de afgelopen jaren niet veranderde, zo blijkt uit een onderzoek van TNS-Nipo, is het vertrouwen dat mensen in hun huisarts hebben. Ze gaan voor de behandeling van diabetes liever naar hun huisartsenpraktijk dan naar een gespecialiseerde diabeteskliniek.

Verder vinden patiënten dat huisartsen gerust mogen vertellen wat ze beter wel of niet kunnen eten en dat ze met roken moeten stoppen. Huisartsen onderschatten dat. Patiënten willen ook dat huisartsen vertellen naar welk ziekenhuis ze het beste kunnen gaan. Daarna horen ze, vinden patiënten, op de hoogte te blijven van de verdere behandeling in het ziekenhuis en willen patiënten daarover later met ze overleggen.

Driekwart van de patiënten geeft aan het liefst altijd dezelfde huisarts te willen zien, blijkt uit een derde onderzoek dat vandaag gepresenteerd is over de huisarts, van het onderzoeksinstituut Nivel. Maar, zo blijkt, patiënten veranderen veel vaker uit eigen beweging van huisarts dan uit noodzaak. Elk jaar krijgt 3 tot 4 procent van de Nederlandse bevolking te maken met vertrek van de eigen huisarts. Huisartsen kennen een verloop van 12 procent van hun patiënten per jaar. Dat betekent dat in een jaar 12 procent van alle patiënten in een huisartsenpraktijk zich in- of uitschrijft. In grote steden is het verloop zelfs 16 procent. Ook geldt daar dat gezinnen steeds minder vaak bij één huisarts zijn ingeschreven.

Wel zijn huisartsen minder bereikbaar voor hun patiënten geworden. In vergelijking met de eerdergenoemde andere landen besteedt de Nederlandse huisarts minder tijd aan het direct contact met patiënten en meer tijd aan administratie (bijna 10 procent van de tijd). Vergeleken met vroeger werken huisartsen vaker in deeltijd in groepspraktijken. ’s Avonds zijn ze bijna helemaal niet meer bereikbaar voor hun eigen patiënten sinds de opkomst van de huisartsenposten. Huisartsen van buiten de regio nemen vaak waar.

Huisartsen vinden eigenlijk ook dat ze aan de wens van patiënten om een avondspreekuur in te voeren, tegemoet moeten komen. Tweederde van de huisartsen vindt dat als patiënten dat zo graag willen, ze zelf in de avonden spreekuur moet gaan houden.

Arno Timmermans, huisarts in Almere, reageert daar niet geheel enthousiast op. Huisartsen zouden er eerst eens voor moeten zorgen dat ze overdag tussen acht en zes uur goed bereikbaar zijn, vindt hij. „Daar schort het nog wel eens aan. Tussen de middag of vanaf twee uur staat vaak het antwoordapparaat aan en zijn ze alleen voor spoedgevallen bereikbaar. En mensen moeten ook bedenken dat de huisarts die ’s avonds werkt, er de volgende ochtend niet is. Patiënten zeggen dat ze dat niet erg vinden, maar ik vraag me af of ze dat ook vinden als ze echt voor een dichte deur staan.”