Geluiden

Een rechter vertelde me dat je beter met vijf, zes mensen op één cel kon zitten dan met twee. Eén per cel had uiteraard zijn voorkeur, maar hij ging bij zijn theorie even uit van nijpend plaatsgebrek in onze gevangenissen. Waarom zes in plaats van twee? Omdat bij twee de ongewenste intimiteit van gewoonten, luchtjes en geluiden veel ondraaglijker zou zijn dan bij méér mensen.

Geluiden.

Af en toe moet ik aan deze uitspraken van de rechter denken. Bijvoorbeeld toen ik naast een keurige, hoogbejaarde vrouw in de tram zat. Het was een vrij lange rit en op zeker moment dacht ik: wat hoor ik toch?

Het was alsof er iemand met een vlijmscherp mesje een velletje papier in repen sneed. Een ijselijk geluid dat bij de ademhaling door haar neus ontstond. Toen ik erop ging letten, kon ik het al gauw niet meer harden. Elk snifje van haar neus werd een rilling over mijn rug. Ik zag mezelf gekluisterd in een kerker liggen, die sniffende mevrouw hing als een vleermuis tegen de zoldering. Twee in één kerker! Ik beken álles.

Na een treinreisje van Amsterdam naar Schiphol wist ik zeker dat de rechter gelijk had. Aan de andere kant van het gangpad had een wat ordeloos Amerikaans echtpaar van in de zestig plaatsgenomen. Hij was een blanke man, type bejaarde hippie, die liever blowend dan biddend naar God ging. Lodderig, zonder iets te zeggen, zat hij naar zijn vriendin tegenover zich te kijken, een reusachtige negerin, die door de omvang van haar buik veroordeeld was vrijwel roerloos in haar stoel te blijven zitten. Ze droeg een groene hoofddoek en was even sjofel gekleed als haar vriend.

Zij at.

Dat wil zeggen dat haar rechterhand onophoudelijk heen en weer ging tussen haar mond en haar schoot, waarin een zak chips voor het hele gezin geopend overeind stond. Het eerste dat mijn aandacht trok, was het gekraak van de zak. In een verder leeg treincompartiment is dat geluid te vergelijken met dat van een motormaaier die op een mooie zomerdag de stilte van je tuin verscheurt. Eerst probeer je het geluid te verdringen, maar weldra penetreert het alle poriën van je lichaam. Het neemt bezit van je, het blokkeert alle andere gedachten.

Ik staakte mijn lectuur en luisterde gefascineerd naar de vrouw. Zak en kiezen, alles kraakte en werd gekraakt. Haar woordeloze genot vulde alle hoeken en gaten van deze ruimte. De zak was bijna leeg toen ze opeens ophield, kennelijk wilde ze nog iets lekkers overhouden voor in het vliegtuig. Daarop begon ze de zak met zoveel mogelijk geweld dicht te knijpen. Als ze hetzelfde met haar vriend had gedaan, zou hij minder luidruchtig geprotesteerd hebben dan die zak.

Toen dit oorverdovende karwei achter de rug was, hoestte ze een paar minuten lang vet en bronchiaal. Daarna viel haar hoofd opzij en zakte ze weg in een zalige dommel, waarvan zij de lusten had en ik de lasten. Zij was de zaag, ik de boomstam die geveld werd.

Geluiden.

De hel van een cel.

Pas in het graf wordt het stil, maar dat is ook weer niet alles.