Eerste Kamer blijkt wel buigzaam

De energiewet die in de Tweede Kamer een ruime meerderheid haalde, is gisteren in de senaat aangenomen met een belangrijke voetnoot. Splitsing is voorwaardelijk.

Na drie jaar discussie, lobbyen, onderzoek en palaveren heeft de Eerste Kamer gisteravond parlementaire geschiedenis geschreven. De energiewet, erfstuk van oud-minister Brinkhorst (Economische Zaken, D66) is door de senaat aanvaard, maar met een motie waardoor het leerstuk van de splitsing van de energiebedrijven in de ijskast is gezet.

De motie in de senaat was het initiatief van het CDA en de PvdA, die hiermee een opmerkelijke poldergezindheid toonden. Deze partijen kwamen verregaand tegemoet aan de bezwaren van de aandeelhouders in de energiebedrijven – provincies en gemeenten – en van het management. De aandeelhouders waren verdeeld, de bestuurders waren van meet af aan fel gekant tegen de kern van de wet: verplichte splitsing in een commercieel leveringsbedrijf en een publiek netwerkbedrijf.

Waar de Tweede Kamer zich uiteindelijk ongevoelig toonde voor de druk van de energiesector (en de wet met grote meerderheid aannam), was de senaat lankmoedig. Sommige senatoren zijn afkomstig uit het provinciale bestuur en vertolkten de standpunten van de provinciale aandeelhouders in de energiebedrijven.

Maar ook het standpunt van het kabinet is verschoven. Na het vertrek van D66 uit het kabinet nam Joop Wijn (CDA) het energiedossier over van Brinkhorst. Van meet af aan liet Wijn doorschemeren voorstander te zijn van vrijwillige en niet van gedwongen splitsing. Geen wonder dat Wijn gisteravond de motie, die door alle partijen in de Eerste Kamer met uitzondering van de SP werd gesteund, hartelijk verwelkomde. Volgens Wijn moet ook niet van de ‘splitsingswet’ maar van de ‘wet waarborging publieke belangen’ worden gesproken. Maar ook fervente voorstanders van splitsing, VVD en D66, konden zich in het compromis vinden. De vraag is of de gevestigde energiebedrijven wel de winnaars zijn zoals ze wellicht denken. Want het venijn zit in de details. De wet bepaalt bijvoorbeeld dat de energiebedrijven hun kostbare hoogspanningsnetten – de ‘snelwegen’ van het energienetwerk – moeten afstaan aan netbeheerder Tennet, een staatsbedrijf. Bovendien moeten ze hun distributienetten onderbrengen in zelfstandige ondernemingen.

Het streven van het management om als geïntegreerde bedrijven te expanderen wordt eveneens doorkruist. Als de energiebedrijven in het buitenland willen investeren, mogen ze hun Nederlandse netwerken niet als onderpand gebruiken. En als buitenlandse energiebedrijven een Nederlands bedrijf willen overnemen, kunnen ze alleen het commerciële deel kopen (productie en levering), het netwerkbedrijf blijft hoe dan ook in publieke handen. Alleen als de bedrijven zich tot de Nederlandse markt beperken, in Nederlandse energie investeren en hun commerciële deel in eigen hand houden, hangt ze geen splitsingsdreiging boven het hoofd. Toezichthouder DTe gaat jaarlijks na of de sector aan de eisen voldoet.

De bedrijven zullen hun strategische beleid dus moeten aanpassen. Dit verklaart waarom Tweede Kamerlid Crone (PvdA), fervent voorstander van splitsing, zich gisteren enthousiast toonde over de aanvaarding van de wet in de senaat, inclusief de beperkende motie.

Het ongemak met de splitsingswet zat in de Europese dimensie. Waarom zouden Duitse of Franse energiegiganten die op hun thuismarkt beschikken over productie, levering én netwerken, tot splitsing gedwongen (en daardoor verzwakte) Nederlandse bedrijven mogen overnemen? Met andere woorden: waarom zou Nederland een ‘gelijk speelveld’ scheppen terwijl hierdoor de Nederlandse bedrijven op de Noordwest-Europese energiemarkt in een evident ongelijke positie worden gemanoeuvreerd?

Daarop had indertijd Brinkhorst geen afdoend antwoord en dat had Wijn gisteren evenmin. Hij zei niet te willen vooruitlopen op Europese wetgeving, maar op ontwikkelingen in de Europese markt. Door de splitsing onder meer afhankelijk te maken van toekomstige Europese regels, ontkomt het kabinet eraan dat Nederland bij de liberalisatie van de energiesector een figuur slaat in Europa.