Concurrentie in kunst is niet altijd `eerlijk`

Vanuit het principe dat kunstondersteuning door de overheid leidt tot concurrentievervalsing doet ook op het terrein van de kunst de Nederlandse Mededingingsautoriteit - de uitvoeringsautoriteit van de mededingingswet - zich gelden. Nu moet de Vereniging van Letterkundigen de adviestarieven in haar modelcontracten laten vallen (NRC Handelsblad, 31 oktober). Weer een voorbeeld van hoe de NMa in de kunstensector oprukt. Alles moet wijken voor de macht van het marktprincipe. Arjo Klamer, hoogleraar Economie van Kunst en Cultuur, onderschrijft de culturele waarde van kunst die niet in geld is uit te drukken. Daarmee geeft hij impliciet aan dat kunst en markt niet altijd samen vallen. Vervolgens verwijst men bij wijze van voorbeeld naar de Verenigde Staten, waar financiële ondersteuning van de kunst gebeurt vanuit kunstfondsen van vermogende kunstliefhebbers. Staatssteun voor de kunstsector is daar uit den boze en de particuliere fondsen, die via aantrekkelijke fiscale maatregelen worden gevoed, dus met indirect geld van de overheid, voorzien er in de additionele financiële behoefte van de kunstensector.

Waarom moeten wij zo nodig dit voorbeeld volgen? Wij moeten in Nederland onze eigen koers durven varen, met een overheidsvisie op de rol en de betekenis van de kunst voor de kwaliteit van de samenleving. Daar hoort dan een passende bescherming en zo nodig financiële ondersteuning door de overheid bij, zonder de ideologische toepassing van het marktdenken tot in de haarvaten van de kunstensector. Joop van den Ende c.s. redden het heus wel zonder de steun van de NMa.