Anti-folkmuziek en plaatjes, tegen eenzaamheid

De Amerikaanse zanger Jeffrey Lewis treedt op tijdens Crossing Border.

Hij is ook een begaafd tekenaar van autobiografische stripverhalen.

Strips en popmuziek gaan uitstekend samen; zie Peter Pontiac en Typex die hun rock & roll-wereld al jaren in beeldverhalen vangen. De combinatie is nergens zo direct als bij Jeffrey Lewis (1975), de zanger uit New York die zijn wederwaardigheden optekent in autobiografische stripverhalen en publiceert in de blaadjes Guff en Fuff. Nummer 1 van Fuff (december 2005) bevat een cd waarop Lewis de geschiedenis van de punkrock, zoals die volgens hem al sinds 1950 gemaakt wordt aan de Lower East Side van Manhattan, beknopt doorneemt. Hij zingt fragmenten van folksongs, Velvet Underground, New York Dolls en Patti Smith en haalt zelfs The Stooges (uit Detroit) erbij „omdat hun Elektralabel onlosmakelijk met New York was verbonden”.

Jeffrey neemt de telefoon op in zijn piepkleine New Yorkse appartement, op de dag dat hij een selectie aan het maken is uit de strips die hij tijdens Crossing Border zal tonen. „Het meeste teken ik onderweg in schetsboeken, waar ik later mijn strips op baseer. Ik heb nog nooit eerder geëxposeerd en het is best eng om je geesteskinderen in een envelop te stoppen en ze de oceaan over te sturen. Pas wanneer je mijn muziek hoort met de plaatjes erbij, heb je een volledig beeld van wat ik doe.”

‘The only time I feel right is when I’m drawing comic books’, luidt een veelzeggende songtitel. Hij noemde zijn muziek ‘anti-folk’ in de tijd dat ook de Moldy Peaches opkwamen; Adam Green en Kimya Dawson zijn vrienden. „Ik had geen geld om een elektrische gitaar te kopen en mijn woning is te gehorig om er veel herrie te maken. Vandaar anti-folk; folkmuziek die eigenlijk rock & roll is. Muziek werkt het best als je het simpel houdt. Voor mij geen dure opnamestudio’s, ik speel mijn nummers direct in een recorder. Net als bij mijn strips blijft de inspiratie dicht bij mezelf.”

Lewis bracht een handvol cd’s uit, eerst in eigen beheer en sinds 2001 via het Engelse Rough Trade. Zijn eerst trip naar Engeland staat uitgebreid beschreven in de strip Jeff’s European Travel Diary uit Fuff, compleet met drugs-avonturen en slapen in het park wegens geldgebrek. Zijn recente album City & Eastern Songs maakte hij samen met broer Jack Lewis die als bassist in zijn band speelt. Hun liedjes gaan over gewone zaken, zoals het fotokopiëren van posters voor de band of hoe een verhuizing veel leuker wordt als je vrienden komen helpen.

„Ik kan alleen schrijven over dingen die ik echt heb meegemaakt,” zegt Jeff. „Soms zijn dat hele saaie, alledaagse gebeurtenissen. Het kan inspirerend zijn om mensen op straat te horen praten. Mijn Chelsea Hotel oral sex song is ontstaan toen ik een jongen en een meisje hoorde discussiëren over de betekenis van Leonard Cohen’s liedje Chelsea Hotel #2. New York is een geweldig inspirerende stad; plekken genoeg om er een lied over te schrijven. Nee, niet CBGB’s, de rockclub die onlangs voorgoed is gesloten. Dat was al jaren een toeristenval waar je nauwelijks fatsoenlijke muziek te horen kreeg.”

Muziek maken is de beste remedie tegen eenzaamheid, zegt Jeffrey. „Soms zoek ik de eenzaamheid juist op, en blijf ik dagenlang thuis om aan songs of een nieuw stripverhaal te werken. Als ik mezelf dan zo bezig zie, tragisch en wanhopig in een krap en koud New Yorks flatje waar de kakkerlakken tegen de muren kruipen, kan ik daar meestal niet anders dan een komische strip of een grappig lied over maken.”

De stripverhalen van Jeffrey Lewis worden van woensdag 15 tot zondag 19 november geëxposeerd in galerie <TAG>, Stille Veerkade 19, Den Haag. Lewis en band treden donderdag 16 november op tijdens Crossing Border. Zie verder ook de website van Lewis: www.thejeffreylewissite.com of 46254 naar 7585.