Wij komen eraan

Terwijl buurland China klaarstond om de wereldmarkt voor kleding massaal te bedienen, wachtte India nog af. India is een democratie, zo luidt het verweer. Maar nu gaan de remmen los.

De kledinglijn JLO van de Amerikaanse superster Jennifer Lopez, hier getoond in Miami Beach, herfst van dit jaar. Lopez besteedt een deel van haar kledinglijn zoals snijden en stikken uit aan een textielbedrijf in India. Foto AP Models wearing the Jennifer Lopez fashion line JLO walks down the runway during Fashion Week Miami Beach in Miami Beach, Fla. Thursday, Oct. 12, 2006. Lopez is premiering two fashion lines in Miami Beach, JLO and Sweetface. (AP Photo/Lynne Sladky) Associated Press

‘Wij komen eraan”, zegt Vijay Mathur, terwijl hij zijn hand nog eens door zijn haar haalt. Kledingexport is het onderwerp van gesprek. Gehaast bladert Mathur door een stapel vergeelde papieren. Op zoek naar cijfers over de Indiase textielindustrie. Mathur is de directeur van de belangenclub voor Indiase kledingexporteurs. Zijn kantoor is spiksplinternieuw, maar ontkomt tegelijkertijd niet, ondanks de glimmende computers en bureaus, aan de muffe geur van stoffige archiefmappen.

In China hebben ze het anders gedaan, weet Mathur. Met een zucht zegt hij: „De Chinese staat heeft in 2004 geanticipeerd op het loslaten van mondiale textielquota’s begin 2005. Speciale economische zones, investeringen in nieuwe capaciteit. Het risico voor de staat.”

Geen anticipatie in India, maar afwachten. „Voor ons gold: eerst zien dat de quota’s echt verdwijnen en dan pas geloven. Indiase ondernemers moesten zelf de investeringen financieren. Er was geen overheid met een zak geld. Dus je kijkt wel uit voordat je ergens je geld in steekt.”

Tijdens de voorlaatste mondiale handelsronde was afgesproken dat aan de handelsbeperkingen voor textiel gefaseerd een einde zou komen, in een tijdsbestek van tien jaar. En zo geschiedde. De laatste belemmeringen zijn begin vorig jaar afgeschaft. Behalve China is India een van die landen die volgens studies rijkelijk profiteren van de nieuwe handelsorde.

Het is tijd voor wat cijfers, zegt Mathur, nadat hij zijn archiefmap grondig heeft doorgespit. In het boekjaar 2005/2006 (van april tot april) is de kledingexport van India gestegen met bijna 30 procent ten opzichte van het boekjaar ervoor, tot 6,4 miljard euro. Ter vergelijking: in het boekjaar 2001/2002 bedroeg de export nog geen 312 miljoen euro. Een studierapport schat dat de Indiase textielexport in 2013 een waarde zal hebben van 20 miljard à 25 miljard euro. „Dat bedoel ik met: wij komen eraan.”

Maar er is nog een lange weg te gaan, beseft ook Mathur. Betere communicatiemiddelen, de aanleg van wegen, de privatisering van vliegvelden en de modernisering van havens moeten India verder op weg helpen een aantrekkelijke handelspartner voor kledingverkopers in het westen te worden. Hij zegt: „Wij zijn een ontwikkelingsland. Er is armoede en het land heeft ook geld nodig voor andere zaken.” India is niet te vergelijken met China. India is een democratie; hier kan de regering niet zomaar besluiten dat het hele land geasfalteerd wordt in dienst van de economie. „Alles gaat wat trager maar is tegelijkertijd doorzichtig hier.”

Anders dan in de Chinese textielsector zijn er in India weinig massaproducenten en grootschalige fabrieken te vinden. In China draait het om massaproductie, zegt Mathur, terwijl de Indiase bedrijven uitblinken „in het meer verfijnde werk”. China, al sinds jaar en dag ’s wereld grootste producent en exporteur van textiel, is goed voor een vijfde van alle kledingexport in de wereld, terwijl India met 3 procent de zesde exporteur ter wereld is. „We groeien niettemin als kool.”

Het zijn van oorsprong kleine en middelgrote familiebedrijven die in India in de kledingexport zitten. Toch is er sinds enkele jaren een voorzichtige consolidatie begonnen en zijn er nieuwe spelers op de markt gekomen die het groter aanpakken. Maar nog altijd moeten bedrijven met meer dan 100 mensen in dienst aan de overheid toestemming vragen als ze banen willen schrappen – een regel gebaseerd op wetgeving uit 1947.

Consolidatie is logisch, want de interesse vanuit het buitenland voor India, met zijn onuitputtelijke poel aan goedkope arbeidskrachten en katoenvoorraden, is groot. En dat buitenlandse producenten graag met India zaken doen wordt duidelijk als je bijvoorbeeld op Sarojini Nagar in Zuid-Delhi loopt. Op deze kledingmarkt verkopen handelaren grote hoeveelheden merkkleding voor kinderen, overblijvertjes van de productie in India. Kleren van Benetton, Gap en H&M liggen er voor een habbekrats voor het oprapen.

Hoe hard het kan gaan met de Indiase textielproducenten blijkt uit het verhaal van Arjun Lahiri. Hij is een van de directeuren van kledingexporteur Zynke uit Noida in de noordelijke deelstaat Uttar Pradesh. „Ik ben vorig jaar vanuit Londen teruggekomen naar India omdat ik hier mogelijkheden zag voor de textielexport na het wegvallen van de mondiale handelsquota’s”, zegt Lahiri, die eerder bij accountant KPMG werkte. Samen met een aantal andere Indiërs zette hij vorig jaar het bedrijf op. Van hen zaten twee al in de kledinghandel en een derde had contacten in de Verenigde Staten, zegt hij. Ze zijn de Europese en Amerikaanse markt opgegaan. Aanvankelijk begon het bedrijf met een fabriek met zo’n 70 naaimachines; nu zijn dat er 500 en zijn er drie productielocaties. Lahiri: „We hebben inmiddels 800 mensen op de loonlijst en als het druk is, wordt dat aantal voor een paar maanden opgevoerd tot 1.400.”

Over klanten en orders hoor je Lahiri niet klagen: „Het aantal orders neemt alleen maar toe. Binnen twee jaar willen we onze capaciteit verdubbelen.” Zynke doet ook zaken met de Amerikaanse actrice Jennifer Lopez. De Amerikaanse superster laat een deel van haar kledinglijn JLO snijden en stikken door de werknemers van Zynke. Andere bekende afnemers zijn de merken Naf Naf, Morgan en Kookai.

Zynke doet er nog wat massaproductie naast. Snel even 108.000 hemdjes met kraaltjes produceren voor de Amerikaanse supermarktgigant Wal-Mart. Om de productiecapaciteit van het rap groeiende bedrijf volledig te benutten. Maar uiteindelijk richt het zich met tops van zijde, satijn en chiffon en denimproducten op de duurdere merken. „Die hebben hogere toegevoegde waarde, daar valt meer mee te verdienen. En daar ligt ook onze kracht”, legt Lahiri uit.

Ondernemen in India is hem erg meegevallen, zegt Lahiri terugkijkend („Je bent natuurlijk gewaarschuwd voor de trage bureaucratie en gebrekkige infrastructuur”). Een nieuwe fabriek opzetten, personeel vinden en de juiste vergunningen verkrijgen, het was allemaal binnen een paar maanden geregeld. De grote uitdaging is het transport. Hoe krijg je je spullen snel weg. Van Delhi naar Mumbai kost je vier dagen, terwijl het makkelijk in twee dagen zou kunnen. De havens zijn bovendien vaak verstopt. „Maar met dit soort vertragingen houd je gewoon rekening”, zegt hij.