‘Vinex-wijk Langerak is echt schitterend’

Aaron Betsky vertrekt volgende week naar zijn nieuwe baan in Cincinatti, waar hij directeur van het Art Museum wordt. Hij is trots op het NAi zoals hij het achterlaat. „Het is geen gebouwenmuseum, geen graftombe van architectuur.”

Voormalig NAi-directeur Aaron Betsky Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen Rotterdam, 07-11-06. Aaron Betsky. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Heel even is Aaron Betsky in between jobs. Hij heeft het druk met zijn verhuizing van Rotterdam, waar hij tot eind vorige maand directeur van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) was, naar Cincinatti, waar hij vanaf 21 november het Art Museum gaat leiden. Vijfeneenhalf jaar had het NAi als hoofd een Amerikaan die aan zijn in Nederland doorgebrachte jeugd niet alleen een vlekkeloze beheersing van het Nederlands heeft overgehouden, maar ook een voorliefde voor Nederlandse architectuur en vormgeving. Betsky is tot nu toe de enige NAi-directeur die een architectuuropleiding heeft gevolgd en op een architectenbureau heeft gewerkt. Hij was voor hij naar Rotterdam kwam zes jaar conservator architectuur, vormgeving en digitale projecten aan het San Francisco Museum of Modern Art.

Hoe trof u het NAi aan toen u er in 2001 directeur van werd?

„Mijn voorgangster, de Duitse Kristin Feireiss, had van het NAi een instituut gemaakt met internationale betekenis. Ze had een ongelooflijk aantal tentoonstellingen en activiteiten georganiseerd en moest bijna dood het instituut worden uitgedragen. Ook veel medewerkers waren doodop.”

Hoe laat u het NAi achter?

„Veel van wat ik heb gedaan, was onzichtbaar. De financiën zijn nu op orde, al heb je natuurlijk nooit geld genoeg, de staf is gereorganiseerd. Verder heeft het NAi zich uitgebreid. In de Van Nellefabriek heeft het nu een maquettedepot, en in de Wiebengahal in Maastricht een dependance. En we hebben tentoonstellingen gemaakt waar ik trots op ben.”

Als ik in het NAi ben, zie ik altijd heel weinig bezoekers. Hoe komt dat?

„Nou, dan komt u niet op de goede dagen. We trekken jaarlijks 100.000 bezoekers en zijn daarmee de drukst bezochte architectuurinstelling van de wereld. Vergelijkbare architectuurmusea trekken zo’n 60.000 bezoekers. Vergeet niet dat we meer zijn dan een architectuurmuseum. Het NAi is geen gebouwenmuseum, geen graftombe van de architectuur, maar wil op allerlei manieren de gebouwde omgeving in de ruimste zin des woords laten zien. Sinds kort hebben we ook een tijdschrift. We organiseren lezingen en debatten en hebben theater- en filmvoorstellingen.”

Als een van de weinige Nederlanders vindt u Vinex-wijken niet afgrijselijk. Wat is er zo goed aan en waarom hebt u daar dan niet een grote tentoonstelling aan gewijd?

„De experts verafschuwen Vinex-wijken, maar de bewoners zijn tevreden. Nederland is misschien wel het enige land waar men met plannen probeert om sprawl, de verstrooiing van bebouwing over het land waardoor het verschil tussen stad en platteland vervaagt, in goede banen te leiden. Sprawl moet je niet aan de markt overlaten. Vooral de tweede Vinex-lichting, zoals Leidsche Rijn bij Utrecht, is interessant. Hier ontstaat een nieuw soort stedelijkheid, een nieuwe verhouding met het landschap. Langerak, een deelplan van Leidsche Rijn, is schitterend. We hebben een tentoonstelling overwogen, maar we vonden dat het te veel een opgehangen boek zou worden.”

In uw boek ‘False Flat’ (2003) legt u uit waarom de Nederlandse vormgeving en architectuur zo goed is. Neemt de internationale waardering daarvoor nu af?

„Ik geloof niet dat de Nederlandse architectuur en vormgeving over hun hoogtepunt heen zijn. Niet alleen zijn, na Rem Koolhaas’ OMA, nu ook bureaus als Mecanoo volop bezig met bouwen in het buitenland, maar ook merk ik dat de Nederlandse opvattingen doordringen in onderwijsinstellingen in bijvoorbeeld de VS. De kracht van de Nederlanders is dat ze niet uitgaan van een tabula rasa, een blanco, braakliggend terrein, maar van de bestaande situatie. Die analyseren ze, daarvan gaan ze onbekende mogelijkheden na en vervolgens komen ze dan met oplossingen waar niemand eerder aan gedacht heeft. Of het nu gaat om de voorwerpen van Hella Jongerius of om Vinex-wijken, deze conceptuele benadering zie je steeds terug en die is ook nog steeds relevant. Misschien bestaat Dutch Design over tien jaar niet meer, maar dat komt dan omdat het World Design is geworden.”

De Nederlandse architectuur bevindt zich in een spagaat. Aan de ene kant zijn er de ‘Superdutch’-architecten, zoals de ‘supermodernistische’ architect Rem Koolhaas. Aan de andere kant zijn er neotraditionalisten als Sjoerd Soeters, die in uw boek niet voorkomen, maar wel veel succes hebben.

„Ik geloof niet dat er een tegenstelling bestaat tussen de neotraditionalisten en superdutchers zoals Koolhaas. Er zijn nu een paar architecten, zoals Soeters, die polemiseren over de in hun ogen verschrikkelijke ‘modernistische’ architectuur. Maar Sjoerd Soeters is moderner dan hij zelf denkt, zoals omgekeerd een architect als Bjarne Mastenbroek traditioneler is dan hij wil toegeven. En Soeters en Mastenbroek maken beiden deel van dezelfde Nederlandse ontwerptraditie om met bestaande elementen steeds iets nieuws te ontwerpen.”

Waarom gaat iemand met zo’n grote liefde voor Nederlandse architectuur eigenlijk weg bij de belangrijkste architectuurinstelling ter wereld?

„In het Cincinatti Art Museum krijg ik de kans me te verbreden. Ik ben gefascineerd door de visuele cultuur waarvan architectuur slechts een onderdeel is. Het Cincinatti Art Museum behoort niet tot de toptien van Amerikaanse musea. Maar het is wel een oud museum met een brede, encyclopedische collectie. Het museum wordt bovendien de komende jaren uitgebreid met een nieuwe vleugel. Net als bij het NAi ga ik daar laten zien waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan.”