Retourtje Libanon

Kort voor haar dood vroeg mijn zus of ik nog steeds bereid was als een van haar dragers aan te treden. Ik antwoordde dat ze op me kon rekenen, tenzij de acute pijn in mijn rechterkuit, veroorzaakt door veel te wilde amateursport (een spierscheuring, een zenuwontsteking?), die me op dat moment het lopen bijna onmogelijk maakte, anders beslist. Zijzelf zag het niet zo somber in: „Ach, ik weeg bijna niks meer.”

En ik was er toch van op de hoogte dat zij niet in een kist ging, maar gewikkeld werd in een rode wade?

Afgelopen vrijdag heb ik haar gedragen, heel teder – mijn kuit had zich al eerder ‘herpakt’. De baar was van een lucide schoonheid.

Het is juli 1981. Ik ijsbeer door de woonkamer van het ouderlijk huis. Het gezin is zo goed als compleet. Wij wachten op de koets met paarden die mij en mijn ouders door de straten van het geboortedorp zal voeren. Mijn eerste Tour de France is miraculeus verlopen: ritwinst op de Alpe d’Huez, een topvijfnotering in het algemeen klassement, de witte trui met succes verdedigd. Het dorp, nee, de hele regio staat op zijn kop. Voor het huis is een enorme menigte samengedromd. Het licht in de kamer wordt erdoor gedempt. Er lopen ook mensen door de achtertuin waarvan ik zeker weet dat ze er niet thuishoren. Ik lijk te worden ingesloten door het prille succes. Voor mijn zus, studente psychologie, is dit een goudmijn.

Ik ben ten prooi gevallen aan een seculier „heer ik ben niet waardig”. Totaal uitgeput ben ik teruggekeerd uit Frankrijk. Te jong te diep gegaan, zoveel is duidelijk. De escapade naar een bergtop was meteen ook een stuiptrekking. Geen doktersinfuus had er een antwoord op. Als sportheld in een koets gaan zitten vind ik opeens erg veel gevraagd.

Mijn zus ziet het anders. Zij wijst me op de genadevolle versimpeling van de identiteit. Anderen zullen me voortaan zien als de jongen die de grote Bernard Hinault het nakijken gaf. Sterker nog, al zou ik vanaf nu elke dag worden opgepakt wegens, bijvoorbeeld, openbare dronkenschap, dan nog zou die jongen ongeschonden blijven voortbestaan.

„Zie het maar als vervangende dienstplicht”, zegt ze. Mijn zus refereert aan de S5 die ik twee jaar eerder had opgelopen. Omdat de militaire dienst mijn atletische opmars fataal zou frustreren, had ik haar advies ingewonnen om in het leger in elk geval als geloofwaardige gek over te komen. Het liep niet helemaal als gepland, maar die S5 kwam er. Tevens werd me – mijn lichting werd opgeleid voor een missie in Libanon – een desastreus retourtje bespaard.

De koets komt voorgereden. Met lood in de schoenen beweeg ik me richting voordeur, de poort naar mijn gesimplificeerde identiteit. Er is geen weg meer terug, dat besef ik wel. Ik kijk nog één keer om. In de ogen van mijn zus meen ik dit te lezen: ga nu maar, alles is beter dan Libanon.