Politici moeten niet moraliseren

Zodra politici gaan moraliseren ligt het risico van dwang op de loer, betogen Marcel Ham en Evelien Tonkens.

Na het CDA en de SP slaat nu ook de PvdA aan het moraliseren. Ouders worden aangesproken om hun kinderen respect bij te brengen. Als ze daarin tekortschieten, moet worden ingegrepen. Zodra politici gaan moraliseren dreigt het risico dat ze doorslaan naar dwang.

Burgers, leraren, welzijnswerkers en andere sociale professionals help je daar niet mee. Die moraliseren toch wel, omdat ze er niet onderuit komen, maar dwang willen ze zoveel mogelijk vermijden. Dwang en veroordelende taal kunnen jarenlang zorgvuldig opgebouwde relaties in één klap kapotmaken.

De moraal staat sinds kort hoog op de maatschappelijke agenda. In de politiek is het al lang niet meer alleen Balkenende die het over normen en waarden heeft. Ook Wouter Bos en Jan Marijnissen pleiten veelvuldig voor meer respect, fatsoen en beschaving. ‘Fatsoen moet je doen’ is geen vrijblijvende kreet meer.

Links en rechts pleiten voor steun en ingrijpen bij de opvoeding. De PvdA wil ouders nu achter de broek zitten als ze tekortschieten in de opvoeding. „Ouderen die weigeren mee te doen, mogen wat ons betreft worden gedwongen”, aldus de partij in het verkiezingspamflet ‘Respect’.

Het is een opvallende breuk met een paar jaar geleden, toen moraal nog als een privézaak gold en iedereen zelf maar moest weten hoe hij wilde leven. Dat is voorbij. Intussen zijn het niet de politici en intellectuelen maar vooral burgers en sociale professionals die nieuwe morele taken krijgen.

Van burgers wordt verwacht dat zij elkaar op straat aanspreken op fatsoenlijk gedrag, docenten en jongerenwerkers moeten jongeren respect bijbrengen en ook meteen maar even de ouders heropvoeden. Tegelijk moeten mensen elkaar in hun autonome keuzes respecteren, want de keuzevrijheid is ook nog steeds een groot goed. En moraliseren wekt weerstand, het heeft een negatieve bijklank. Het riekt naar spruitjes, benepenheid en bemoeizucht.

Veel mensen die in de praktijk met de behoefte aan moraliseren worden geconfronteerd, worstelen met die tegenstrijdigheid, zo blijkt uit de analyses van wetenschappers en journalisten in ons Handboek Moraliseren.

Ze hebben een schreeuwende behoefte aan een gemeenschappelijke taal, ijkpunten en uitwisseling. Sociaalwerkers, hulpverleners en docenten opereren nu veelal op hun eigen gevoel. Met grote verschillen in aanpak en uitwerking.

Zo houdt de ene jongerenwerker een stichtend verhaal waar jongens die hun moraal op straat hebben opgedaan hun neus voor ophalen. De andere jongerenwerker die zelf met de mores van de straat is grootgebracht en er niet vies van is af en toe een dreun uit te delen, heeft echter een ander probleem: welke moraal draagt hij nog over? Hij lijkt slechte omgangsvormen eerder te bevestigen dan te corrigeren.

En de ene vmbo-leraar slaagt er om met pijn en moeite in om met de klas een gesprek op gang te brengen over een meisje dat wordt gepest. Maar een ander heeft zo’n enorme moeite zich te handhaven dat zij niet verder komt dan ‘net doen alsof je lesgeeft’. En burgers die op straat anderen aanspreken op asociaal gedrag voelen zich vaak zo weinig gesteund door de omgeving dat ze het maar weer opgeven.

Mensen die noodgedwongen moraliseren missen een vocabulaire en staan er alleen voor. Standaarden en uitwisseling, bijvoorbeeld in de organisaties van beroepsgroepen, ontbreken. Normen circuleren een stuk minder makkelijk dan euro’s.

Het lijkt er al snel op dat je je eigen privénormen aan anderen oplegt. Mensen voor wie moraliseren een praktijk is in plaats van een preek schieten dan niet zo veel op met ferme taal van politici.

Vaak staat hun praktijk zelfs haaks op de schreeuwerige, strenge en eisende toon van het publieke en politieke debat. In tegenstelling tot steeds meer politici zoeken sociale professionals of burgers die meedoen aan het formuleren van stadsregels of stadsetiquette naar meer prudente, verfijnde, dialogische manieren van moraliseren. Ze willen de moraal er niet in rammen, maar zich ook niet afzijdig houden. De relativiteit van het eigen gelijk erkennen, zonder in relativisme te vervallen.

Maar dat is moeilijk: mag je er bijvoorbeeld iets van zeggen als ik vermoed dat een meisje vrijwillig dubieuze seksuele relaties aangaat in ruil voor cadeautjes? Ze wordt toch niet gedwongen?

Een mooi voorbeeld van de discrepantie tussen het publieke debat en alledaagse praktijken betreft de relatie tussen moslims en homoseksualiteit. In het publieke debat wordt moslims vooral de maat genomen, zonder de intentie of zelfs maar de hoop anderen van de eigen visie te overtuigen. Wie homo’s niet accepteert, is niet geïntegreerd. Het markeren van het verschil tussen het superieure denkbeeld van de homoacceptatie tegenover dat van de achterlijke allochtonen die dat niet doen lijkt vaak belangrijker dan de bevordering van homoacceptatie.

In de praktijk van het homo-emancipatiebeleid van de rijksoverheid – waarvoor nauwelijks aandacht is – gaat het er heel anders aan toe. Met huiskamerbijeenkomsten en voorzichtige huisbezoeken proberen migrantenorganisaties de homoacceptatie bij hun achterban te vergroten. Niks geen hoge of beschuldigende toon. „Met provoceren bereik je niks”, aldus een Turkse lesbienne. In gesprek raken is effectiever.

In zulke praktijken zitten ze niet verlegen om nieuwe dwangmaatregelen of zedenprekende politici. Zij hebben meer behoefte aan een publieke discussie over goed burgerschap en hoe je dat vormgeeft. Bij moraliseren zijn er gelukkig meer smaken dan afzijdig blijven of dwingen.

Marcel Ham is hoofdredacteur van ‘TSS Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken’. Evelien Tonkens is bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam en redacteur van TSS. Dit artikel is gebaseerd op het onlangs verschenen ‘Handboek Moraliseren. Burgerschap en ongedeelde moraal’ van Evelien Tonkens, Justus Uitermark en Marcel Ham (red.).