Muziekverzamelaar moet wennen aan iPod

Ooit werd de muziekverzameling tentoongesteld in een kast met mooie hoezen. Toen kwamen de kleine cd-doosjes en nu zitten de favoriete nummers onzichtbaar in een iPod. Dat heeft gevolgen voor de psyche van de verzamelaar.

Iedere muziekliefhebber die een mp3-speler bezit, weet het: met de opkomst van digitale muziek is de muziek die iemand bezit ‘vluchtiger’ geworden, minder tastbaar en zichtbaar. En dus verandert er ook iets in de gevoelens die mensen hebben ten opzichte van hun muziekcollectie. Maar hoe precies?

Drie Britse psychologen zijn begonnen dat in kaart te brengen; ze doen er verslag van in het meest recente nummer van Journal of Economic Psychology (JEP). Hoewel ze het niet expliciet zeggen, gaat hun onderzoek vooral over popmuziek.

Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar de psychologie van de muziekverzameling. Er is sowieso weinig onderzoek gedaan naar de psychologie van het verzamelen. Een aantal jaar geleden definieerde een van de weinige onderzoekers op het gebied het als ‘sociaal geaccepteerd hamstergedrag, vaak sterk verweven met de identiteit van de verzamelaar’. Uit onderzoek waarbij de bekende neuroloog Antonio Damasio betrokken was, bleek dat bij mensen met meer bizarre verzamelingen de cognitieve vermogens tot plannen en organiseren enigszins zijn aangetast. Maar bij dat onderzoek gaat het om het verzamelen van spullen die, eenmaal aan de verzameling toegevoegd, hun normale functie kwijtraken – denk aan suikerzakjes en postzegels.

Bij muziek is dat anders. Hoe verzamelig aangelegd de eigenaar ook is en hoe lyrisch hij ook kan worden over speciale hoesjes en edities, hij zal zijn muziek meestal toch wel eens beluisteren. En bij mp3’s valt er niet over speciale uitgaven te juichen – hooguit over verschillende versies. Maar het bezitten van muziek is natuurlijk ook niet louter functioneel. In hun JEP-artikel schrijven de psychologen dat de meeste mensen die ze in een muziekwinkel ondervroegen, toegaven dat ze wel een of meer ‘genante’ platen in hun bezit hadden, die ze toch niet weg wilden doen – niet echt rationeel.

Muziek hangt tussen verzamelobject en gebruiksvoorwerp in. De Britse psychologen wilden de verschillende functies en betekenissen die muziekverzamelingen voor de bezitters hebben, systematisch in kaart brengen. Ze begonnen met diepte-interviews bij twintig muziekverzamelaars, mannen en vrouwen, tussen de 16 en 42 jaar oud (gemiddeld 26). Deze mensen werden benaderd in bars en clubs. De helft van hen had een mp3-speler (allemaal iPods). De interviews vonden meestal bij de mensen thuis plaats en duurden ruim een uur. Het gesprek ging over muzieksmaak, de persoonlijke muziekverzameling en hoe die in de loop der jaren was veranderd, en over digitale muziek en downloaden.

De thema’s die in de interviews naar voren kwamen, werden systematisch geïnventariseerd; het aantal thema’s werd eerst teruggebracht van meer dan honderd eenvoudige tot veertien meer omvattende categorieën, en die werden uiteindelijk weer ingedeeld bij een van de drie kernaspecten van het muziek verzamelen, zoals de onderzoekers het noemden. Zo’n kwalitatieve onderzoeksmethode wordt weinig gebruikt in de psychologie; vooral in de eerste, theorievormende fase van een nieuw onderzoeksterrein is het zinvol.

Het eerste kernaspect dat de Britse psychologen onderscheiden, is ‘de muziekdrager als heilig object’. Het is al meteen duidelijk dat dit niet over mp3’s gaat, maar over het materiële bezit van lp’s en cd’s, die niet alleen als muzikaal maar ook als visueel kunstwerk worden beschouwd en dus op een duidelijk zichtbare plek in huis staan, waar (ook belangrijk) anderen ze kunnen zien. Het hebben van een cd of lp is ook ‘heilig’ omdat die een verbinding is tussen de artiest en de echte, toegewijde fan.

Het tweede kernaspect is ‘de muziekdrager als onderdeel van jezelf’. Iemands muziekverzameling heeft een autobiografische functie, vergelijkbaar met die van een dagboek of een fotoalbum – vandaar ook dat mensen zich schamen voor muziek die ze in een bepaalde periode van hun leven mooi vonden, of voor hun impulsaankopen. En de meeste mensen weten nog wat de eerste plaat was die ze kochten. Maar de onderzoekers brengen ook het échte verzamelen onder in deze categorie: een man van 33 die destijds per se álle singletjes van The Jam moest hebben, en sommige platen nu nog in cellofaan heeft zitten. Ook dit kernaspect heeft meer met tastbare platen te maken dan met mp3’s, al is het maar omdat de deelnemers aan het onderzoek ook veel muziek op hun iPod hadden die ze nooit gekocht zouden hebben.

Het derde aspect, ten slotte, is ‘de muziek als zintuiglijke ervaring’ – luisteren. Dat is het belangrijkste aspect bij mp3’s, ook vanwege het gemak waarmee je nieuwe liedjes kunt downloaden of van vrienden kunt kopiëren, om ‘uit te proberen’. Er zit een sociale kant aan digitaal muziekbezit die niets met opschepperigheid te maken heeft. De muziekbezitter investeert minder in het bezit van mp3’s dan bij cd’s en platen; om het ‘hebben’ gaat het dan ook niet.

Oppervlakkig gezien lijkt het alsof de drie aspecten zo op een tijdbalk te leggen zijn. Lp’s waren vooral ‘heilig object’, cd’s al minder maar nog wel ‘onderdeel van jezelf’ en mp3’s zijn vooral om te beluisteren. Maar zo simpel is het niet. De onderzoekers benadrukken dat alle drie de aspecten ook bij de jongste geïnterviewden voorkomen – die willen de muziek waarvan ze écht houden ook op een schijfje hebben. Al zijn de psychologen wel benieuwd of dat ook zal blijven gelden voor jonge mensen voor wie de eerste muziekaankoop in hun leven een mp3 was.