In delirium tremens

Niets dan hoon was het commentaar op de Impressionisten. Knoeiers, die ongewassen rondliepen. Maar hun vijanden gingen roemloos ten onder. Ross King geeft in De omwentelingen van Parijs (Bezige Bij, € 34,90) een panorama van de jaren zestig toen ambtenaren en derderangs kunstenaars de Impressionisten het leven zuur maakten. ‘King heeft zijn boek toegespitst op Meissonier (1815-1891) en Manet (1832- 1883), en dat is een slimme zet want als elkaars tegenpolen illustreren beide levens en visies exact de hoogoplopende, schilderkunstige controverses. Meissonier, een ruige, hooghartige en rancuneuze man, werd in die tijd uitgeroepen tot de grootste kunstenaar die Europa ooit gekend had. Met penselen niet dikker dan het snijvlak van een scheermes kwamen zijn interieurtjes tot stand waar ook buitenlandse lieden van stand vermogens voor neertelden. [...] Natuurlijk stond Manet niet alleen in zijn misère. Cézanne werd later ook de huid vol gescholden. „Die gek schildert in een delirium tremens”, aldus een criticus. Alle schilders die weigerden reactionair te zijn, kregen het voor hun kiezen. Want het verwaande old boys network, maakte zelf wel uit wat er wél of niet voor kunst kon doorgaan. Nu weten nog maar weinig mensen wie die deftig doenerige heertjes waren’, schreef Marianne Vermeijden.