Hij die de oorlog moest verkopen

President Bush is door de kiezers afgestraft om de oorlog in Irak.

Had hij beter naar Colin Powell moeten luisteren?

Colin Powell, de Amerikaanse oud-minister van Buitenlandse Zaken, probeerde op 5 februari 2003 de VN-Veiligheidsraad ervan te overtuigen dat Irak massavernietiginswapens had. Foto Reuters U.S. Secretary of State Colin Powell holds up a vial that he described as one that could contain anthrax, during his presentation on Iraq to the U.N. Security Council, in New York February 5, 2003. Powell tried to persuade a skeptical world that Iraq is concealing its weapons of mass destruction and that war may be necessary to disarm it. REUTERS/Mike Segar GMH/HB REUTERS

Dit moeten onze laatste verkiezingen over Irak zijn, verzuchtte columnist Thomas Friedman vorige week in de New York Times. De afkeer van de oorlog heeft volgens Friedman een diepe wond in de psyche van Amerika geslagen. De Democraten hebben er electorale munt uit geslagen. Na de tussentijdse verkiezingen hebben ze nu een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden als ook in de Senaat. Vlak voor de verkiezingen werd bekend dat de machteloze woede van veel Amerikanen over Irak, inmiddels wordt gedeeld door enkele prominente neoconservatieve haviken, die als aanjagers golden van de Amerikaanse inval. Richard Perle, Kenneth Adelman en David Frum keerden zich in een interview in het maandblad Vanity Fair af van Bush en diens souffleurs, minister van defensie Donald Rumsfeld en vice-president Dick Cheney. Inmiddels heeft Bush zijn minister van Defensie geofferd. Daarmee geeft hij impliciet het failliet van zijn beleid in Irak toe.

Had oud-minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell president Bush op andere gedachten kunnen brengen? Krijgt Powell eindelijk zijn gelijk, met zijn waarschuwingen een voorzichtiger koers te varen ten opzichte van Irak? Frum, voormalig tekstschrijver van de regering-Bush, gaf in zijn The Right Man (2003) al aan dat Powell een geïsoleerde positie innam tijdens de eerste ambtsperiode van Bush. Het beeld dat Frum schetste wordt nu door Washington Post-journaliste Karen DeYoung in haar biografie van Powell Soldier, dubbel en dwars bevestigd: hij had nooit een kans van slagen. De van nature behoedzaam opererende Powell werd vanaf de eerste dag tegengewerkt en later zelfs onder de voet gelopen door Cheney, Rumsfeld en wat Powell tot twee keer toe de ‘Jinsa-crowd’ noemt: medewerkers van Rumsfeld in het Pentagon die zich identificeerden met het wel en wee van Israël en banden onderhielden met het Jewish Institute for National Security Affairs.

Powell, zoon van Jamaicaanse immigranten die opgroeide in de Bronx, had als beroepssoldaat een bliksemcarrière gemaakt. Als stafchef leende hij zijn naam aan een militaire doctrine die een definitieve afrekening met het Vietnam-syndroom moest zijn. Deze ‘Powell-doctrine’ hield in dat Amerika zijn leger voortaan alleen zou inzetten bij duidelijk gedefinieerde missies, die door de bevolking in meerderheid werden gesteund, en met gebruik van groot militair machtsvertoon.

Nauwelijks een maand na zijn aantreden , in maart 2001, werd Powell al publiekelijk teruggefloten vanwege een verklaring over Noord-Korea. Powell wilde het toenaderingsbeleid van Clinton voortzetten. Hij toonde zich voorstander van dialoog, terwijl de nieuwe regering ‘schurkenstaten’ als Noord-Korea juist wilde aanpakken. Bovendien was de naam Clinton onder conservatieve Republikeinen besmet. Powell, die het persoonlijk goed met Clinton kon vinden en die onder hem had gewerkt, was daarmee impliciet verdacht voor veel van zijn nieuwe collega’s. Maar waarom koos Bush hem dan als zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken? Het beste antwoord is vermoedelijk dat Bush niet om Powell heen kon. De gouverneur van Texas had weinig kennis van buitenlandse politiek. Hij kon het gewicht én de populariteit van Powell goed gebruiken.

Soldier valt in twee delen uiteen. Het eerste is een klassieke biografie. Op grond van gesprekken met familieleden, vrienden en bekenden, schetst DeYoung de stormachtige opkomst van de getalenteerde immigrantenzoon. Halverwege verandert het boek van karakter. De buitenlandse politiek van de regering-Bush tijdens diens eerste termijn komt centaal te staan, vanuit het perspectief van Powell en zijn naaste medewerkers. DeYoung maakt daarbij veelvuldig gebruik van haar eigen artikelen, alsmede van zes interviews met Powell en vele gesprekken met zijn (anonieme) ondergeschikten. Nadeel van de interviews met Powell is dat ze op één na tijdens zijn ministerschap werden afgenomen, en het beeld dat we al van hem hadden niet echt veranderen. Hij was een geïsoleerde, na verloop van tijd zelfs tragische minister, die zich een staalkaart aan pesterijen, beledigingen en vernederingen moest laten welgevallen.

Het dieptepunt van Powells carrière is ongetwijfeld de rede die hij op 5 februari 2003 hield bij de VN, waarin hij onomstotelijk bewijs zou aanvoeren dat Irak in het bezit was van massavernietigingswapens. Hiermee was Powell twee jaar na zijn aantreden afgegleden tot een veredelde posterboy voor buitenlands beleid dat elders werd bepaald. Terwijl hij zelf dacht dat hij nuttig werk verrichtte, werd hij in feite voor het karretje gespannen van Cheney, Rumsfeld en Bush.

Had Powell vanwege Irak de eer aan zichzelf moeten houden? Door dat te suggereren, schrijft DeYoung, begrijp je niet wat voor man hij is. Als minister bleef hij loyaal aan zijn hoogste bevelhebber, Bush. Zelf vergelijkt Powell zijn positie met die van voorganger George Marshall, die evenmin aftrad toen president Harry Truman tegen Marshalls zin in 1948 Israël erkende. Maar hij moet erkennen dat hij geen Marshall is, en Bush geen Truman. Daarmee velt hij een hard oordeel over zichzelf en de regering die hij diende.

Karen DeYoung: Soldier. The Life of Colin Powell. Knopf, 610 blz. € 25,49

De VN-speech is te beluisteren: www.whitehouse.gov/ news/releases/ 2003/ 02/ 20030 205-1.html of 20835 naar 7585.