Blinde heeft ook déjà vu’s

Déjà vu’s zouden ontstaan door een vertraagde visuele ervaring. Maar blinden hebben ze ook. De nieuwe verklaring is een storing in de hersenen tussen ‘bekend’ en ‘onbekend’.

Ook blinden krijgen déjà vu’s. Die constatering vormt in de ogen van twee onderzoekers van de Universiteit van Leeds de doodsklap voor een nog altijd populaire verklaring van deze vreemde ervaring.

De veelgehoorde theorie was dat er in de visuele ervaring van een gebeurtenis een tijdelijke vertraging optreedt, waardoor die gebeurtenis eerder in het geheugen terecht komt dan in het bewustzijn. In de kleine gemeenschap van déjà-vu-onderzoekers was die opvatting al verlaten maar daarbuiten is hij nog vaak te horen.

Akira O’Connor en Christopher Moulin presenteren in het decembernummer van het vakblad Brain and Cognition een blinde proefpersoon met een volkomen normaal déjà-vu-patroon. Het is de eerste keer dat het déjà vu bij blinden is onderzocht. Het standpunt van de onderzoekers is dat een blinde met déjà vu’s geen last kan hebben van vertraagde visuele ervaring. En dat een déjà vu dus op een andere manier moet ontstaan.

In de wetenschap wordt het déjà vu gedefinieerd als een botsing tussen twee gelijktijdige maar tegengestelde mentale beoordelingen: aan de ene kant een objectieve vaststelling van de nieuwheid van de ervaring en aan de andere kant een subjectieve overtuiging van bekendheid. Het komt algemeen voor, bij 60 tot (volgens sommige onderzoeken) 96 procent van de bevolking.

Het idee dat de oorzaak in een vertraagde visuele ervaring zit, komt al voor bij de Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941). In de beroemde roman Catch 22 speelt deze verklaring ook een rol. Het modernste onderzoek zoekt de oorzaak vooral in een verstoring van het hersencentrum waar ‘bekendheid’ en ‘onbekendheid’ wordt vastgesteld, maar de verklaring door verstoring van de visuele input wordt nog altijd vaak genoemd en geciteerd.

De 25-jarige man (‘MT’) uit het jongste onderzoek is al vanaf zijn geboorte geheel blind. Zijn eerste déjà vu herinnert hij zich van zijn achtste of negende jaar, en toen kwamen ze al twee tot drie keer per week voor met een duur van soms 30 seconden. Het ging vooral over herinneringen aan eerdere ervaringen met geluiden, aanraking en geur. „Het was alsof ik van mijn ervaring ineens een multi-dimensionale mini-opname in mijn hoofd vond, en me afvroeg: waar ben ik dat eerder tegengekomen?”, zo omschrijft MT die ervaringen. Sommige staan hem nog helder voor de geest, zoals die toen hij tien was en een bord in handen kreeg en gevraagd werd of hij nog meer wilde eten. „Toen ik zei: ‘ja graag’, het bord in mijn handen voelde en het personeel met andere mensen hoorde praten, dacht ik: dit heb ik al eens eerder gedaan.” Nu hij 25 is, heeft MT nog maar zo eens in de drie maanden een déjà-vu-ervaring. Een bekend verschijnsel: volgens vrijwel alle onderzoeken neemt de frequentie af met het ouder worden.

MT’s ervaringen vallen volledig in de normale déjà-vu-categorie, hoewel hij ze passender omschrijft als déjà été: ‘al eens geweest’. In theorie is het mogelijk om de theorie van de ‘delayed optical pathway’, van de vertraagde visuele ervaring, enigszins te redden door te veronderstellen dat zo’n zelfde vertraging bij alle zintuiglijke waarnemingen kan voorkomen. Maar dan zouden er bij ziende mensen véél meer niet-visuele déjà vu’s moeten voorkomen. „Het is veel logischer dat er een gemeenschappelijke factor ligt achter het déjà vu van blinden en zienden”, zo schrijven de onderzoekers in Brain and Cognition. Die factor zou dan liggen in de verstoring van de realiteitsbeoordeling van ervaringen, die zich in de temporaalkwab zou afspelen.