Arrogantie

Het Kurhaus in Scheveningen veroorzaakt op een herfstige novemberdag onherroepelijk enige melancholie. Ook al scheen er gisteren een waterig zonnetje, het uitzicht op zee vanuit het hotel had niets meer met de zomer te maken. Het woei straf boven de grijze zee en de boulevard was verlaten, op drie wandelaars en twee honden na. Een mens had er weinig te zoeken.

Binnen misschien wél?

Nou ja, daar was de jaarvergadering van de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland gaande, de centrale werkgeversorganisatie voor 186.000 midden- en kleinbedrijven. Het is niet mijn meest geliefde jaarvergadering, maar op deze dag waren Maxime Verhagen, Rita Verdonk en Nebahat Albayrak te gast – en dat scheelde. De nummers twee van respectievelijk CDA, VVD en PvdA gingen voor een volle zaal van keurig in pak en japon gehesen werkgevers in discussie.

Een leerzame discussie.

In de eerste plaats werd weer eens duidelijk dat CDA en VVD, als het even kan, één front vormen tegen de PvdA. Albayrak stond er naast en op de bühne nogal eenzaam bij. Verhagen en Verdonk smoesden en lachten met elkaar, zonden elkaar vlugge blikken van verstandhouding toe, kortom, waren bondgenoten in een offensief van neerbuigendheid en meewarigheid tegen Albayrak.

Hoe ver kan de politicus gaan voordat hij in de kuil van zijn eigen arrogantie valt?

Verhagen en Verdonk waren er in het Kurhaus af en toe gevaarlijk dicht bij. Verdonk interrumpeerde Albayrak te pas en te onpas, over het hoofd van de arme discussieleider heen. Iemand stelde bijvoorbeeld vanuit de zaal een vraag aan Albayrak. Albayrak deed een poging tot antwoord, maar al na enkele zinnen joelde Verdonk er doorheen: „U geeft geen antwoord op de vraag!”

Verhagen probeerde zijn tegenstander meer met vaderlijke spot te declasseren. Hij heeft geen respect voor de politica Albayrak. Na Bos komt er ‘helemaal niks’, zei hij onlangs over de PvdA-lijst. In het Kurhaus zei hij op zeker moment schijnbaar instemmend tegen Albayrak: „Wij zijn het op dit punt eens.” Hij wachtte even, helde licht achterover, draaide zijn lichaam naar Verdonk en zei lachend: „Met Verdonk!”

Humor uit Maastricht, later Oegstgeest.

Je zou verwachten dat de ondernemersgeest die van het Kurhaus bezit had genomen, op de hand van Verhagen en Verdonk was. Maar dat liep anders. Albayrak oogstte de sympathie van de underdog. Ook voor haar was er af en toe applaus.

De discussie liep ten einde, alles leek gezegd, inclusief de constatering van Verdonk dat criminele veelplegers vaak illegalen zijn. Toen stond er op een van de achterste rijen een gebrilde, blanke man op. Hij was een vluchteling, zei hij in accentrijk, maar foutloos Nederlands, en hij had een ingenieursbureau. Het leefklimaat rond allochtonen in Nederland deugde niet, vond hij. Hij zag goed opgeleide allochtonen vertrekken, ze waren het beu in de hoek gezet te worden.

Zijn woorden werden met een warm applaus ontvangen. En zo kreeg Albayrak de gelegenheid om met een boze oneliner in de slotminuut haar gram te halen: „Niet nog vier jaar Verdonk, dan gaat het écht fout.”