Slag van Veldkamp

Er is een frisse geest opgestaan in schaatsland. Zwaaiend met vlaggetjes nemen we afscheid van het vooroorlogse, handmatig invullen van rondetijden. Koek en zopie zijn uit den boze. We kunnen dit seizoen leunen op de kwaliteiten van onze nieuwe man langs de ijsbaan: Bart Veldkamp.

Naar schaatsen kijken was niet meer dan de tijd doorkomen. Het duurde en het duurde maar. Rondje na rondje, start na start, dweil na dweil. Er kwam geen einde aan. Kijken naar schaatsen bracht je langzaam in een trance. Er hoefde opeens niet zoveel meer.

Het schaatsen was als een modern mantra in het drukke bestaan. De afwas kon wachten, de weekendkranten mochten ongezien op de stapel. Gezond eten? Ach, we keken het schaatsen af, dan haalden we daarna menu B bij de afhaalchinees.

En de interviewtjes met de schaatsers – juweeltjes van monotonie – versterkten tot nu toe altijd het gevoel dat de minuten uitzendtijd vanaf en rondom het ijs maar één doel hadden: op naar het totale niets, streven naar het luchtledige waarin je geest vrij kon ronddolen. Schaatsen als knapperende haard. Er was ruimte voor extra stukjes worst in de erwtensoep.

Opeens is daar Bart Veldkamp.

De oud-schaatser reed lang in de schaduw van zijn eigen herkomst door voor België uit te komen. Bij elke start van een vijf of tien kilometer geloofde ik weer de ‘Veldkamp van vroeger’ te zien. Verslaggevers meenden in de eerste bochten het befaamde hupje te herkennen, maar nee, na vier ronden was het schokschouderen en gaf hij de pijp weer aan Maarten.

En altijd maar vader Veldkamp als coach langs de baan, die hem met een paar vingers omhoog de harde realiteit toonde: stop nou, mijn jongen. Die dwalende Bart Veldkamp is dood. Morsdood.

Sinds kort zit Veldkamp naast de twee vrouwelijke schaatspresentatoren Ria Visser en Dione de Graaff. Het past wonderwel. De donkerbruine ogen staan helder van het zelfvertrouwen, de krullen steken eigenwijs alle kanten op. Wie nog dacht aan een wedstrijdje pootje over, krijgt de wind van voren. „Schaatsen is een technische sport”, zegt Veldkamp na zijn zoveelste uitleg.

Veldkamp ontvouwt ons de geheimen van het schaatsen. Hij heeft een laptop waarmee hij de schaatsers stilzet tijdens hun rondjes. „Hier, kijk naar de knie. Hier gaat ze haar knie achterna. (met een pen trekt Bart een kaarsrechte pijl van de heup naar de voet van schaatser 1 en doet hetzelfde bij schaatser 2). Zie je? Je moet met je heup boven je schaats blijven. Anders moet je dat bij elke slag corrigeren.”

Op de ijsvloer zitten twee transponders aan de kuiten van de schaatsers. De apparaatjes zorgen voor een exacte tijdmeting op elk moment; we kunnen op televisie de snelheid van de schaatsers in tienden van kilometers aflezen. Bart toont ons een A-viertje met een grillige rode lijn erop. „Heel handig voor de trainers”, zegt hij.

Het schaatsen is een digitale sport geworden.

Drie jonge fans beginnen met wilde armgebaren te zwaaien naar de camera. Ze missen de Slag van Veldkamp. Het hossen in zelfgebreide truien op hoempa-hoempa doet me pijn aan de ogen. Het schaatspubliek is met de komst van Bart en zijn laptop hopeloos ouderwets om te zien.

Voor het volgen van schaatsen ga je niet meer naar Heerenveen, je blijft thuis bij de televisie. Voor het eerst sinds jaren ligt Bart Veldkamp weer mijlen ver voor.