Protectionisme keert terug in VS

Behalve de Amerikaanse rol in Irak droeg ook onvrede over de economie vorige week bij aan de verkiezingswinst van de Democraten in het Congres.

Geen factor in de Amerikaanse politiek die na de Democratische overwinningen van vorige week meer invloed eist dan de vakbondssector. De bonden wijzen de glunderende politici graag op de 100.000 vrijwilligers die zij mobiliseerden en op de 100 miljoen dollar (78 miljoen euro) die zij in verkiezingscampagnes in heel het land staken. Nu de overwinning behaald is, volgt de verlanglijst: het federale minimumloon moet omhoog, de presidentiële macht om eigenhandig handelsverdragen met andere landen te sluiten moet ingeperkt worden en ondernemingen die banen naar het buitenland verplaatsen moeten uitgesloten worden van overheidsopdrachten.

De Democratische Partij herwon vorige week de macht over zowel het Huis van Afgevaardigden als de Senaat dankzij de oorlog in Irak. Daaraan twijfelt niemand. 41 procent van de Democratische kiezers gaf de oorlog als voornaamste reden om de partij van Bush af te willen straffen. Minder bekend is misschien dat een goede tweede plaats wordt ingenomen door onvrede over de Amerikaanse economie: voor 26 procent van de Democratische kiezers was dit de belangrijkste reden om op politici van die partij te stemmen.

Ondanks een werkloosheid die lager is dan de Nederlandse en een stevige economische groei zei de helft van de stemmers dat de economie er „niet zo goed” of „slecht” voorstaat. Grootste aanjager van dat gevoel lijkt het verlies aan koopkracht te zijn. Ter indicatie: hoogopgeleide jonge Amerikanen zagen hun koopkracht de laatste drie jaar met 8 procent teruglopen.

De beide beweegredenen om Democratisch te stemmen – de oorlog en de economie – vonden elkaar in de overwinningstoespraak van Jim Webb, de Democraat van wie pas op donderdag duidelijk werd dat hij het verschil maakte en dat door zijn overwinning ook de Senaat weer in handen komt van zijn partij. Webb zwaaide met de legerkisten van zijn zoon, soldaat in Irak, en noemde zichzelf „een realist op het gebied van buitenlandse politiek”, maar „een soort populist als het om economisch beleid gaat”.

Net als tientallen anderen die vorige week de verkiezingen wonnen, staat Webb argwanend tegenover vrijhandel en geeft hij groeiende economieën als China de schuld van het verlies aan Amerikaanse banen. Het is weer tijd voor „economische eerlijkheid” in een tijd van „internationalisering van Amerikaanse bedrijven”, aldus Webb.

Volgens de Zwitserse universiteit in St. Gallen, zo schrijven Amerikaanse media, staan zestien handelsvriendelijke Republikeinen hun plaats in het Huis van Afgevaardigden af ten gunste van Democraten die vrijhandel kritisch bejegenen. In de Senaat zijn dat er nog eens zes. Samen zijn ze goed voor een nieuw beleid op termijn, en een direct beeld van een meer gesloten economie.

Volgend jaar stemt een nieuw Congres over het presidentiële voorrecht om op eigen gezag met andere landen over handelsverdragen te onderhandelen. Bush heeft deze bevoegdheid nu nog, maar die loopt af in de zomer. Zodra het Congres gemaakte afspraken kan aanpassen, deinzen de landen in kwestie naar verwachting terug om in de toekomst zelfs maar te beginnen met onderhandelen over vrijhandel met de VS.

Het Democratische bezwaar tegen vrijhandel komt voort uit angst voor inkomstenderving. In de VS bestaat al een fonds voor werknemers die hun baan verloren na het verplaatsen van bedrijven naar lagelonenlanden. Sommige Democraten stellen Bush voor deze compensatie – die nu 1 miljard dollar per jaar kost – te verhogen.

Een andere kwestie is landbouw. Het Congres moet volgend jaar het huidige subsidiebeleid hernieuwen of herschrijven. Om de vastgelopen zogeheten Doha-onderhandelingen van de Wereldhandelsorganisatie vlot te trekken, moeten Democraten akkoord gaan met stevig ingrijpen in de Amerikaanse landbouwsubsidies. Dat ziet slechts een enkeling gebeuren.

Een kanttekening hierbij is overigens wel dat Washington steeds minder te zeggen krijgt over de Amerikaanse economie. Die is namelijk hoe langer hoe meer in buitenlandse handen. De cijfers: in 1995 was de totale import in de VS nog gelijk aan 12 procent van het Amerikaanse bruto binnenlands product, nu is dat 17 procent. Er komen dus relatief meer goederen van buiten de VS. En werd in datzelfde 1995 nog 7 procent van de Amerikaanse binnenlandse investeringen door buitenlanders gefinancierd, nu is dat 32 procent.

Een andere Democraat, die afkomstig is uit de de staalregio rondom Pittsburgh, een sector waarin al jarenlang veel banen verloren gaan, won de verkiezingen door te verwijzen naar zijn toekomstige economisch beleid. „Ik ben geen protectionist”, zei toekomstig Congreslid Jason Altmire, die tegen elk geval van het verplaatsen van werkgelegenheid beloofde te stemmen. „Maar ik vind dat we met toekomstige handelsafspraken de winkel niet zomaar kunnen opgeven.”