Lijden en verlossing in Wittenbols’ veldhospitaal

Toneel: Niemandsverdriet van Peer Wittenbols, door Oostpool. T/m 23 nov in Menno van Coehoornkazerne, Arnhem. Inl. 026-4437655 of www.oostpool.nl.

Op ziekenbezoek bij Toneelgroep Oostpool. Voor het toneelstuk Niemandsverdriet heeft de groep een veldhospitaal ingericht in de voormalige Menno van Coehhornkazerne. Schrijver Peer Wittenbols voert ons naar de Eerste Wereldoorlog. We volgen drie slachtoffers in drie stadia; van binnenkomst als bemodderde hopen vlees, totdat ze weer weg mogen, al dan niet tussen zes planken.

Het hoogstaande toneelwerk van Peer Wittenbols speelt zich doorgaans af in hedendaagse huiskamers. Niemandsverdriet is hierop een uitzondering door zijn historische en politieke context. Wittenbols heeft het vermogen om mensen van vlees en bloed te scheppen. De levens in Niemandsverdriet blijven echter nogal schetsmatig, waardoor dit toneelstuk in zijn oeuvre een plaats inneemt tussen de middenmoters.

De ruimtes van de kazerne zijn in verschillende kleuren geschilderd. De polikliniek is rood. Op een lange tafel liggen de slachtoffers, nog nauwelijks te herkennen als mensen. In deze proloog heeft de veldarts de hoofdrol, gespeeld door Ad Knippels. Dan volgt de tocht naar de zalen, geschilderd in blauw en groen. Hier krijgen de patiënten hun gezicht terug. De jongen die door een granaatscherf in zijn hoofd tot kind is geworden, zonder verleden. De vrouw die het lijk van haar man ging zoeken en volledig verbrand raakte. De vrolijke Frans die niet beseft dat hij langzaam sterft; het chloorgas heeft zijn longen vernietigd. Het toneelstuk eindigt op zolder, met houtsnippers op de vloer en een kleine bloemenkas, als zuurstoftank voor de stervende man.

De oorlog lijkt in het stuk ver weg, hij dient vooral als contrapunt. Midden in deze hel van massaal zinloos lijden en van onmenselijkheid, gaan Wittenbols en regisseur Rob Ligthert op zoek naar de restjes menselijkheid: de vriendschap tussen de patiënten, lotgenoten die ook elkaars concurrenten zijn, in het beter worden. Deze vriendschap kent ook zijn grenzen: we kunnen het prima verdragen als iemand sterft, als hij daarbij maar niet te veel overlast veroorzaakt.

De verschillende benadering van menselijkheid en beroepsethiek van de afstandelijke arts en de glimlachende verpleegster worden steeds tegenover elkaar geplaatst: de arts wil praktisch zijn, en professioneel menselijk, ook als dit hard of cynisch lijkt. De verpleegster zoekt de zachte kanten, het inleven in de patiënt, probeert hem het leven draaglijker maken. Bij de arts en de zuster vinden ook voortdurend botsingen plaats tussen de harde waarheid en de zoete leugen, zonder duidelijke morele winnaar. De vrolijke patiënt, gangmaker van de afdeling, verandert in een huistiran zodra hij de waarheid hoort, dat hij stervende is. Op zijn wens helpt de verpleegster hem uit zijn lijden, waar de arts fel tegen is.

Hetzelfde als in eerder werk is Wittenbols’ pleidooi voor de goede, zachte krachten tegen alles in. Tegelijkertijd schildert hij zoveel duisternis, dat je je afvraagt wat je eigenlijk hebt aan die piepkleine lichtjes van menselijkheid. Maar ja, wat hebben we anders.