Knotsknettergek

Beste lezers, er zijn twee vragen waar ik uw hulp hard bij nodig heb. Vraag één: wie weet er meer over J.B. Uges? Dit is wat ík weet. Uges (wiens roepnaam waarschijnlijk 'Jo’ was) is in 1890 in Utrecht geboren en rond zijn achttiende naar Amsterdam verhuisd. Sinds 1923 schreef hij voor bladen als Nova, Astra en het Uiltje. Vanaf 1927 verzorgde hij een ‘vroolijk half uurtje’ bij de Avro-radio en in 1932 werd Uges hoofdredacteur van het tijdschrift Unicum. Volgens een krantenbericht uit het Amsterdams gemeentearchief is Uges in 1948 bevorderd tot hoofdinspecteur van de Amsterdamse politie. Een jaar later speelde hij mogelijk een rolletje in de film Een koninkrijk voor een huis. Hij overleed hij op 7 november 1954.

Ik wil graag meer over Uges weten omdat hij onder het pseudoniem Nono enkele blijspelen en zes boeken heeft geschreven, met als bekendste Amsterdammers. Die boeken werden uitgegeven door S.L. van Looy, Andries Blitz, Jacob van Campen en Bigot & Van Rossum. Daarnaast schreef Uges, eveneens onder het pseudoniem Nono, zes boekjes voor rijwielfabriek Gazelle. Tot slot heeft hij onder eigen naam nog twee boeken geschreven over de spoorwegen en over vervoermiddelen.

Uges schreef vooral humoristisch bedoelde boeken. Dat is een genre dat ook indertijd wisselend werd beoordeeld; ik heb een paar vernietigende besprekingen gevonden. Maar hij werd wel degelijk gelezen, en Amsterdammers beleefde tussen 1927 en 1960 zeker negen herdrukken.

Wat de Nono-boeken nu nog interessant maakt, is dat Uges er veel plat-Amsterdams in gebruikte, fonetisch opgeschreven. Een voorbeeldje, uit Amsterdammers: „Laot ik U eirst effe an de minsche foarstelle, dan weit U teminste wat foar fleisch U in de kuip het.’’

Nu zou je denken dat er over een voormalige hoofdinspecteur van de Amsterdamse politie – toch niet de geringste baan – van alles te vinden is. Maar zelfs bij het Politiemuseum in Apeldoorn konden ze geen snipper informatie over Uges vinden. Pijnlijk was het om te ontdekken dat nergens in Nederland een complete reeks bewaard is gebleven van TAP: tijdschrift voor de Amsterdamse politie, een blad dat tussen 1946 en 2001 heeft bestaan. Als u nog jaargangen heeft liggen, schenk ze aan een bibliotheek, want zelfs bij de Koninklijke Bibliotheek hebben ze slechts een paar afleveringen.

Heeft Uges wel echt bij Amsterdamse politie gewerkt? Hoe kan het dat er vrijwel niets over hem te vinden is (één briefje, wat krantenknipsels, maar geen enkele langere biografische schets)? Is er nog familie van hem in leven of zijn er lezers die Uges nog persoonlijk hebben gekend? Zo lang geleden is 1954 toch ook weer niet!

Vraag twee speelt in dezelfde tijd. In 1953 schreef Piet Bakker een boek getiteld Kidnap. Ook hij gebruikte in dat boek veel Amsterdamse woorden en platte volkstaal. Omdat lang niet iedereen die woorden kende, nam Bakker achterin een lijst „van minder gebruikelijke woorden en uitdrukkingen” op. Tot mijn verbazing staat knetter op die lijst, met als betekenis ‘gek’. In het boek zelf vinden we zinnen als „Dan is vader hardstikke knetter” en „Knetter was ie geweest”.

Is knetter voor ‘gek’ inderdaad nog zó jong? Ook elders wordt het aan het begin van de jaren vijftig gedateerd. Was het toen wellicht een modewoord, samen met knots? En werd het meteen al als versterkend element gebruikt in woorden als knettergoed en knetterlelijk? Of is het al ouder?

Alle informatie is welkom, vooral ook over Uges, want van hard zoeken en bijna niks vinden word ik knotsknettergek.

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek