Het leven in één maat muziek

De aarde warmt op. Nederland zal overstromen. De warme golfstroom valt weg. De energie raakt op. In Irak heerst rechteloosheid. Mensen hangen elkaar op, snijden elkaar de keel door, hongeren elkaar uit. In Afrika wonen tienduizenden kinderen zonder ouders omdat die gestorven zijn aan aids. In de bio-industrie worden dieren wreed mishandeld. Terroristen voelen zich gerechtvaardigd om de westerse wereld op te blazen. Kleine kinderen zitten in de gevangenis. Wouter Bos wordt kapotgemaakt door de VVD en het CDA.

Je kunt makkelijk een bladzijde vullen met verschrikkingen en misstanden en te verwachten rampen, door menselijk handelen veroorzaakt. Wie de krant leest en naar de televisie kijkt ziet weinig dat hem of haar tot vreugde en hoop stemt en veel dat elke mogelijke positieve gedachte over het mensenleven wegvaagt. Het leven is een zinloze, mallotige zaak en de mens is geen leuke soort. Als hij even niet met een of meerdere verwoestende activiteiten bezig is, doet hij stompzinnige spelletjes of maakt series waarin andere mensen elkaar doodschieten.

Tussen dat alles in vierde dirigent Bernard Haitink vorige week zijn gouden jubileum. Ter gelegenheid daarvan waren verschillende concerten onder zijn leiding op de televisie te zien. Ineens, kijkend naar één van die registraties, raakte ik ontroerd door de mens. Wat een adembenemend gezicht was het al die mensen die zo eensgezind aan het werk waren om een stuk muziek zo goed mogelijk ten gehore te brengen. En wat een adembenemende gedachte dat de man die voor hen stond al vijftig jaar lang zich uitsluitend inspant om de muziek zo te laten klinken als hij denkt dat die moet klinken. Dat dat zijn leven is.

Een paar dagen eerder was pianist Daniël Bahrenboim op de televisie te zien geweest, die een pianosonate van Beethoven doornam met een jongere pianist. Bahrenboim gaf geen seconde de indruk dat er iets belangrijkers op de wereld zou kunnen bestaan dan de vraag hoe je die ene maat moest interpreteren: als een herhaling, als een accent, en speelde je dan zachter of harder, langzamer of sneller? Tegen het eind van zijn les zei hij tegen zijn jonge collega dat het een geweldig vak was, pianist. „De verveling komt nooit. Dat kán niet.” Hij speelde al 54 jaar dezelfde noten, zei hij, en nooit, nooit, nooit verveelden die hem, altijd vond hij er iets nieuws in. De eenmaligheid van muziek, maakte hij duidelijk, was er juist de grote kracht van.

Het is verkiezingstijd en het gaat dus niet over muziek, integendeel en maar goed ook trouwens. Maar als je even kijkt naar zo’n dirigent, zo’n orkest, zo’n pianist, naar de hartstocht waarmee grote musici hun leven wijden aan de muziek, dan denk je gemakkelijk: wat is nu eigenlijk belangrijk? Het zoveelste politieke debatje? Of die ene maat muziek? Wie is nu eigenlijk begeesterd? Verdonk? Of Daniël Bahrenboim? Het kost soms geen enkele moeite om die vragen te beantwoorden. Tegelijkertijd schaam je je voor zulke gedachten.

Het is maar al te makkelijk om ze tot een luxekwestie te maken: zo lang er mensen in de wereld honger lijden of geterroriseerd worden is het geen vraag of muziek soms belangrijker is. Nee. Maar die dingen moeten ook niet zo naast elkaar gezet worden.

Las in de één na laatste roman van Jens Christian Grøndahl, Piazza Bucarest, over een sterk op Grøndahl zelf gelijkende schrijver aan wie door een Roemeens meisje in 1989 verweten wordt dat hij niet over ‘grote thema’s’ schrijft. Hetzelfde onderwerp dat de laatste tijd vaak opkomt, nu wordt er almaar gevraagd waar de Nederlandse roman blijft over de moord op Fortuyn of de moord op Theo van Gogh. Waarom is die er niet? Omdat andere dingen misschien net zo belangrijk zijn. Overwegingen van persoonlijke aard, waar iedereen toch een groot gedeelte van zijn leven mee vult. „Hoeveel van een leven speelt zich niet af in het hoofd van een mens, terwijl het hoofd wordt rondgedragen?” schrijft Grøndahl. „Het grootste gedeelte geloof ik, en vaak het meest doorslaggevende.”

Nog los van de kwestie hoeveel tijd je doorbrengt met de gedachten in je eigen hoofd, en dat is veel, veel meer dan met spectaculaire handelingen, staat de kwestie van de betekenis. Wat doet het ertoe dat we alle dingen doen en denken die we doen en denken? Wat heeft het voor betekenis dat we elke dag weer leven, alle dagen van alle jaren? Zodra mensen niet meer in de allereerste levensbehoeften worden bedreigd, gaan ze hun best doen om iets van het leven te maken. Dan komen ze misschien tot de conclusie dat de grote geschiedenis wel een verhaal is, maar dat dat verhaal niets zegt over de betekenis van hun leven. De overstroming van Nederland, straks, zal de geschiedenisboeken halen. De inspanning van een pianist om een maat muziek goed te begrijpen niet. Toch is dat laatste een handeling die het leven betekenis geeft en een ramp alleen maar weer het zoveelste bewijs van zinloosheid.

In de Wetenschapsbijlage van afgelopen zaterdag werd de antropoloog Clifford Geertz herdacht. Hij had onder meer over de hanengevechten op Bali geschreven, een op het oog onnozel tijdverdrijf dat door de Balinezen juist enorm belangrijk wordt gevonden. Dat laatste is wat ertoe doet, want „betekenis toekennen aan het leven is de essentie van het menselijk bestaan”, schreef Geertz.

Er zijn allerlei manieren om betekenis toe te kennen aan het leven, om te zeggen dat het ertoe doet dat we leven, ook als dat leven zich niet midden op het politieke wereldtoneel afspeelt. Kijkend naar Haitink en Bahrenboim leek het me buiten kijf dat juist zij zich bezig hielden met het hoogste wat mensen kunnen maken en ik kan wel eerlijk zeggen dat die ingespannen aandacht me meer deed dan alles wat ik in weken aan menselijk bedrijf op de televisie had gezien. Hetzelfde steeds weer, steeds weer onherhaalbaar, steeds weer de moeite waard. Zo leven.