Gevaarlijke slungel met ogen als streepjes

Jack Palance was slecht. Zo slecht dat zijn houding genoeg was om gevaar te suggereren. De acteur speelde tot op hoge leeftijd in bijna honderd films.

Bas Blokker

Acteur Jack Palance, gespecialiseerd in sinistere westernrollen, is vrijdagavond op 87-jarige leeftijd overleden in zijn huis in Montecito, Californië. Palance beleefde zijn hoogtijdagen in de jaren vijftig, toen hij twee jaar achtereen werd genomineerd voor een Oscar in de categorie beste mannelijke bijrol. In 1952 voor de film Sudden Fear en in 1953 voor Shane, de film die de man met de dichtgeknepen ogen voorgoed tot schurk bestempelde. Zo'n stereotype werd de lange dunne revolverheld Jack Wilson uit Shane, dat striptekenaar Morris in 1956 voor het Lucky Luke album Phil IJzerdraad de schurk naar hem modelleerde.

Palance werd als Vladimir Palaniuk – zijn ouders kwamen uit de Oekraïne – geboren in 1919 in een mijnwerkersdorpje in Pennsylvania. Palance had een carrière als mijnwerker, professioneel bokser in de zwaargewicht-klasse en gevechtspiloot achter de rug toen hij zich meldde bij de acteursopleiding van Stanford Universiteit in Los Angeles. Na enkele toneelrollen, onder meer als vervanger van Marlon Brando in A Streetcar Named Desire, maakte hij in 1950 zijn filmdebuut als moordenaar in de film noir Panic in the Streets..

Na de epische en zeer succesvolle western Shane van George Stevens zou Palance vooral terugkeren in westerns en oorlogsfilms, vaak gecast als de sluwe schurk tegenover een brandschone held, van het type Charlton Heston of Burt Lancaster. Palance was een method-actor, maar de films waarin hij speelde, hadden vaak genoeg aan zijn fysiek, zijn lange dunne gestalte leunend tegen een paal of een muur, zijn ogen als streepjes onder donkere wenkbrauwen – alles in zijn uiterlijk suggereerde gevaar.

In de bijna honderd filmrollen die hij zou spelen, was hij een martial-arts expert (Kill a Dragon, 1967), een magiër (The Silver Chalice, 1954), een zakenman (Flor de Mayo, 1959) en Fidel Castro (Che!, 1969) en een gangsterbaas in Tim Burtons Batman uit 1989.

In 1963 vroeg de Franse filmer Jean-Luc Godard hem voor Le mépris. Palance moest de Amerikaanse producent Prokosch spelen, die problemen had met de ster van zijn film, gespeeld door Brigitte Bardot. Het bleek op de set al snel dat de werkwijze van Palance, die de regisseur bij elke aanwijzing om uitleg vroeg, tot spanningen leidde. Binnen een week weigerde Palance nog met Godard te spreken en we mogen wel concluderen dat de spanning die we op het doek zien, het resultaat zijn van de spanningen op de set.

Palance werd tot op hoge leeftijd gevraagd voor (bij)rollen. Zijn Oscar zou hij toch nog krijgen in deze categorie. Hij moest er tot 1991 op wachten, toen hij in de western-komedie City Slickers van Ron Underwood werd opgevoerd als de ruige trail-leider Curly. „Hee Curly, heb je al iemand gedood vandaag?” „De dag is nog niet voorbij.” Toen hij zijn Oscar in ontvangst nam, liet hij zich na wat verbaal gestuntel op de grond zakken en begon – 73 jaar oud – aan een serie push-ups op één arm. Zijn laatste hoofdrol speelde hij in 1999, toen hij nog eenmaal een archetypische schurk belichaamde: Long John Silver in de zoveelste remake van Treasure Island.