Brood bracht wilde kunst bij het volk

Herman Brood ‘Bang!’ (2001, inkt op papier, 30 x 45 cm., © Koos van Dijk, Amsterdam) Koos van Dijk

Tentoonstelling: Cha Cha. Fenomeen Herman Brood. T/m 28 januari 2007 in het Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen. Di-zo 10-17u. 25/12 en 1/1 dicht. Inl.: 050-3666555, www.groningermuseum.nl

Een Herman Brood herken je van verre. De zanger/kunstenaar, die vijf jaar geleden zelfmoord pleegde, schilderde met dikke strepen en met kleurvlakken die over de contouren heen rauzen. Daar deed hij weer verfdrippings of spuitbusvegen overheen – een routineuze finishing touch. Brood schilderde terwijl hij componeerde, drugs innam en tv keek. Die nonchalance zie je af aan zijn werk, dat in herhaling en trucjes bleef steken. Hij had geen belangstelling voorgaande doeken te overtreffen, of iets nieuws te proberen. Tijdens zijn leven is hem dan ook nooit museale belangstelling te beurt gevallen. Nu eert het Groninger Museum hem met het groots aangepakte eerbetoon Cha Cha. Fenomeen Herman Brood.

Waarom zou je Brood in het museum halen? Die vraag stond centraal in een debat, dat volgde op de persopening vorige week. Aangestoken door Broods bravoure riep directeur Kees van Twist dat zijn museum grenzen verlegt door een kunstenaar aan te durven voor wiens onconventionele levensstijl andere musea hun neus ophalen. „Onzin”, betoogde Martijn van Nieuwenhuyzen van het Stedelijk Museum: „Dat een dronken kunstenaar probeert de vrouw van de sponsor te verleiden of tijdens het diner een bloemstuk opeet, dat vindt niemand problematisch.” Hij heeft gelijk. Dat soort gekkigheid vindt iedereen net zo prachtig als het idee dat kunstenaars in een paar nonchalante vegen een kunstwerk neerzetten.

Op de vraag of hij Brood ook had geëxposeerd als deze geen mediafenomeen was geweest, wankelde Van Twist tijdens het debat. „Daar kan ik geen antwoord op geven”, antwoordde hij eerst. „Jawel”, corrigeerde hij zichzelf een paar minuten later. Je vraagt je af wie hij voor de gek wil houden. Het Groninger Museum weet best dat Brood een matig kunstenaar was. Zijn schilderwerk wordt dan ook zo veel mogelijk gecamoufleerd in de tentoonstelling. Deze bestaat uit videoclips, harde muziek, heel veel foto’s, onder meer van Anton Corbijn, en een waarheidsgetrouw atelier. Daarin hangen de meeste doeken, tussen de meubels, de spuiten, de cd’s en de pornoboekjes. Bijschriften of een indicatie van chronologie ontbreken: ook de rode schilderijenwand naast het atelier is één bomvol festijn van verf en rock-‘n-roll.

Van Twists argument dat ateliers wel vaker worden nagebootst in musea is niet erg steekhoudend. Dat gebeurt doorgaans om iemands ideeëngoed te tonen. Hier is het puur om de levensstijl van een ‘fenomeen’ neer te zetten. Brood de rock-‘n-rollmythe, de legende, de knuffeljunk – ontspoord maar ongevaarlijk en alom geliefd. Het verval van de laatste levensjaren blijft buiten beeld. Cha Cha is een respectvol eerbetoon aan een nationale mediaster.

Toch speelde Brood juist dankzij die mediabekendheid als kunstenaar een niet te verwaarlozen rol. Het vreemde aan deze hele viering is dat niemand, zelfs het museum niet, lijkt in te zien dat daarin de waarde van zijn kunstenaarschap schuilt. Stijn Huijts, directeur van Het Domein, komt als enige in het debat in de buurt: „Brood verdient een plekje in een kunstgeschiedenis, alleen is dat een kunstgeschiedenis die nog geschreven moet worden. En het instituut dat hem kan presenteren, moet nog uitgevonden worden.”

Al had Brood geen museale kwaliteiten, hij had wél invloed. Zoals Karel Appel zorgde dat het Nederlandse volk bekend raakte met moderne kunst – expressionisme of ‘geklieder’ – zo maakte Brood andere artistieke kernbegrippen salonfähig: authenticiteit, creativiteit, en de mythische lifestyle van gekke kunstenaars. Het merk Herman Brood floreert doordat mensen het gevoel hebben ‘een stukje bravoure’ in huis te halen, een stukje bohémien kunstenaarschap in de vorm van een zeefdrukje, broodtrommel of leuk tapijt. Artistieke authenticiteit van zuiver scheerwol. Dankzij deze marketing zijn de kernbegrippen van de avant-garde uit de vorige eeuw uitgeholde reclamekreten geworden. Maar de algemene acceptatie van die begrippen, is Broods verdienste geweest. Dankzij Brood weet elke klant van Blokker dat kunst moet schoppen, dat het authentiek moet zijn, dat het zich buiten de paden mag begeven. Ook nu kunst dat niet meer doet.