Zonder een kogelgat in zijn jasje

Na de Eerste Wereldoorlog reist journalist George Nypels door een verscheurd Europa. Met de pogroms in Polen valt het wel mee. Voorpublicatie uit de biografie ‘De revolutie-verzamelaar’.

Opper-Silezië, juni 1919. De Duitsers vinden het maar een krankzinnig plan van de journalist. Wie haalt het nou in zijn hoofd om de demarcatielijn met Polen over te steken? Polen zijn bedriegers en moordenaars. Van Berlijn tot aan de Duitse grensplaats Myslowitz (het huidige Myslowice in Polen) waarschuwen ze hem: „Sie werden erschossen werden.”

Maar George Nypels, de reiscorrespondent van het Algemeen Handelsblad, ruikt een conflict waar voor „een werkelijk neutrale journalist” werk te doen is. Duitsland en Polen maken in 1919 ruzie over Opper-Silezië, een industrieel grensgebied in het zuidoosten van Duitsland. De regio is etnisch zo gemengd dat het de geallieerden in Versailles nog niet is gelukt een beslissing te nemen over de loop van de grens tussen de twee landen hier. Er komt daarom een referendum. Op de voorlopige bestandsgrens langs de rivier de Brinitza (nu de Brynica), dwars door de streek, barsten intussen voortdurend gevechten los.

In Polen heeft een van de grootste omwentelingen van 1918 plaatsgevonden: het land is onafhankelijk geworden. Nadat Pruisen, Oostenrijk en Rusland het aan het eind van de achttiende eeuw onder elkaar hadden verdeeld, had het meer dan een eeuw niet bestaan. Het jonge land heeft geld nodig en aast daarom op de Duitse kolen- en ertsvoorraden van Opper-Silezië, zo las Nypels in de Nederlandse pers. En wat nog erger is: er gaat een golf van antisemitisme door Polen. Als dat „wilde pogromland” Opper-Silezië in handen krijgt, zullen de vele joden daar het moeten ontgelden. Nypels heeft zijn twijfels, schrijft hij eind juni 1919 aan het begin van zijn dertiendelige serie ‘In Opper-Silezië en Polen’: hij wil wel eens zien wat er klopt van al die paniekverhalen.

Het kost hem een paar dagen onderhandelen met de Polen, maar op 14 juni steekt Nypels in Myslowitz bij de brug over de Brinitza de bestandslijn over. Een Poolse officier komt op hem af en begroet hem vriendelijk. „En zo stond ik”, meldt de reiscorrespondent twee weken later triomfantelijk in de krant, „alle verzekeringen van Duitse autoriteiten en politieheren ten spijt, zonder kogelgat in mijn jasje, op het marktplein van Modrsjejov en bewonderde er het eerste Poolse jodendorp.”

Veel stelt dat niet voor: Modrsjejov is een verzameling krotten. De straten liggen vol vuil en er hangt een trieste sfeer. Nypels kijkt nog eens om naar Myslowitz. Nette huizen tegen de heuvel langs de rivier, in het midden de grote synagoge. Het verschil tussen Duitsland en Polen begint hem te dagen.

Aan de kleding van de Poolse officier, een grijsblauw uniform van de Franse strijdkrachten, is te zien dat hij bij ‘Hallers leger’ hoort. Nypels herinnert zich de verhalen uit de krant over dit Frans-Poolse ballingenlegioen, genoemd naar de Poolse bevelhebber generaal Jósef Haller. Het is onlangs uit Frankrijk naar Polen gekomen. Nu bewaken deze troepen, waarvan de helft uit Poolse soldaten bestaat en de helft uit Franse ‘adviseurs’, blijkbaar de grens met Duitsland.

Nypels hobbelt in een koets over „een karikatuur van een landweg” naar het nabijgelegen Sosnowiec. Over de weg lopen Poolse arbeiders, soldaten en joden – mét baarden. Die moesten ze toch afscheren, vraagt Nypels verbaasd aan de luitenant en diens koetsier, een joodse man. Die lachen: allemaal praatjes van de Duitsers.

„En mijn begeleider trachtte mij duidelijk te maken en ik verstond hem wát goed: joden in Amerika, joden in Frankrijk, ook goede joden, Synagoge, Sabbat, alles, maar toch fatsoenlijk gekleed als u en ik en geen baard. Soldaten Haller hun gezegd bij terugkomst, dat baarden en krulletjes en kaftan niet nodig. Maar Poolse joden koppig, willen baard houden en generaal Haller, officieren, gezegd baarden afblijven. Ook goed, zullen baarden afblijven, maar toch erg lelijk en vies, gevaarlijk voor typhus…”

De officieren in Sosnowiec besluiten tijdens een diner dat Nypels meer van het land moet zien. Die middag zullen ze hem naar Bedzin brengen, een stadje verderop. Hij heeft dan wel geen doorgangspas, maar de kolonel daar zal hem vast verder helpen.

Nypels brengt het gesprek op het geweld van Polen tegen joden. De officieren geven meteen toe dat er rellen zijn geweest. Maar, leggen ze uit, de afgelopen maanden zijn veel Polen uit hun ballingschap in het Westen teruggekeerd met het vaste voornemen hun land eindelijk te moderniseren. Kan hij zich hun woede voorstellen, toen ze ontdekten dat de Poolse joden er, in tegenstelling tot de joden in Frankrijk en Amerika, helemaal niet zo modern uitzagen? Bovendien hadden Duitse provocateurs het gerucht de wereld in geholpen dat baarden tyfus verspreiden. En toen begonnen joodse geldwisselaars en handelaars óók nog de terugkerende troepen met wisseltrucs en woekerprijzen op te lichten. Geen wonder dus dat de situatie uit de hand liep en de afzetters een pak slaag kregen. Toegegeven, Poolse bandieten hebben daarna het vuur verder aangewakkerd door joodse winkels te plunderen. Maar de joden op hun beurt schreeuwden moord en brand over kleine incidenten. Kortom: met pogroms had dat allemaal niks te maken. En nu zijn die ‘excessen’ trouwens voorbij: generaal Haller heeft bevolen het geweld tegen de joden de kop in te drukken.

Nypels stelt dat ze toch niet kunnen ontkennen dat er antisemitisme heerst. Is dat dan zo vreemd, antwoorden de officieren. Nypels moet de nette Nederlandse joden maar eens inruilen tegen deze zich on-Pools kledende en gedragende bedriegers. Dan zal hij merken hoe snel het antisemitisme in Polen verdwijnt en in Nederland de kop opsteekt.

Nypels moet denken „aan ons land en aan de onmiskenbare geprikkeldheid, die daar, ook in overigens geheel van antisemitisme vrije en zelfs in Nederlands-joodse kringen, bestaat tegen de ‘Karpathen’. En toch zijn die Karpathen de aristoi van hun herkomstland: de mensen die geld genoeg hadden om verre reizen te ondernemen en zich in Scheveningen, of Rotterdam en Amsterdam neer te laten. En ik herinnerde me, hoe ik, niettegenstaande onze grote tolerantie, vooral in beurskringen, waar men meer direct en van nabij deze enkele honderden mensen had moeten meemaken, reeds een vrij vijandige houding tegenover deze specima van het Pools-Russische jodendom had kunnen constateren. En in Polen hebben ze er zo drie miljoen, van wie onze Karpathen de upper-ten vormen…”

Bedrukt over wat hij heeft gehoord, zit Nypels die middag in de koets naar Bedzin. Langs de weg slenteren joden met baarden, kaftans en kleine petjes, rijke joden passeren in hun rijtuigjes. Soldaten en burgers trekken zich niets van hen aan, de mensen lopen langs elkaar „zoals Amsterdammers in de Kalverstraat”. Ze mogen elkaar dan haten, concludeert Nypels, maar met die pogroms valt het zo te zien nog wel mee.

In Bedzin krijgt Nypels zonder problemen toestemming door te reizen naar Krakau, waar generaal Haller zetelt.

Half drie ’s middags staat de journalist voor het hoofdkwartier van de bevelhebber. Haller wordt juist door schoolkinderen gehuldigd en de Nederlandse gast wordt uitgenodigd om toe te kijken vanaf een plek op het podium, naast Hallers zus. Onbewogen hoort de generaal, diepe groeven in een gelig gelaat, de liedjes aan. Nypels vindt hem „een uitgesproken Mongoloïde type”. „Niets van die aristocratie, van die edele rasbewegingen, die de Poolse gentlemen zo opvallend op de Spanjaarden doen lijken.”

Eenmaal in zijn privévertrek ontdooit de generaal echter. In vloeiend Frans herhaalt hij geanimeerd de vergoelijking van de anti-joodse rellen die Nypels al eerder hoorde: terugkerende troepen voelden zich bekocht door joodse handelaren en geldwisselaars en toen zijn er helaas wel eens klappen gevallen. Die ‘pogroms’ waren echt niet meer dan ordinaire volksopstootjes, en dat daarbij joden zijn omgekomen is slechts een ongelukkig toeval. De buitenlandse vijanden van Polen, allemaal zionisten trouwens, voeren gewoon een lastercampagne tegen het nieuwe land. Haller voegt er nog aan toe dat zijn land vol zit met communistische provocateurs en spionnen, en dat zijn toch ook allemaal joden.

Nypels is niet overtuigd, schrijft hij later in het Algemeen Handelsblad. Dat alle joden communisten en spionnen zouden zijn vindt hij een grove generalisering. Hij kan zich ook niet voorstellen dat de rellen zo onschuldig en gerechtvaardigd waren als de generaal ze afschildert, want in Polen heerst ontegenzeggelijk antisemitisme. Toch erkent Nypels dat het rustig is op straat, en hij geeft de generaal het voordeel van de twijfel: Haller is immers intelligent en „doet wat hij kan, niet uit liefde voor de joden, want die kan en mag men bij een Poolse patriot niet verwachten, maar uit liefde voor zijn land, om de joden elke overlast te besparen”.

Als Nypels terugkeert naar de salon, wachten de zus en een paar jonge nichtjes van Haller hem op. Ze willen de Nederlandse journalist de Wawel laten zien, de vestingheuvel in hartje Krakau met de graven van de vroegere koningen van Polen.

Op de Wawel is het druk: boeren en boerinnen schuifelen rond in de halfduistere gewelven onder de kathedraal en kussen devoot de koninklijke tombes. Hallers zus geeft Nypels een rondleiding. Enthousiast vertelt ze over de tijd in de Middeleeuwen dat Polen nog een groot koninkrijk was.

Plotseling heft ze een Pools lied aan. Traag en roefgeestig galmt haar stem door de crypte. Dan vullen de gangen zich met de stemmen van het boerenvolk. Nypels geniet, schrijft hij later in de krant – hij beseft hoe intens de Polen hun nieuwe onafhankelijkheid beleven.

Dan staat de zus stil bij het graf van koning Casimir de Grote.

„Een heilige”, zegt ze, „een zeer grote koning, die de joden in Polen haalde… wat een ongeluk voor ons land, mijnheer!”

„Hij was misschien toleranter dan de huidige Polen, mevrouw?”, antwoordt Nypels.

De vrouw valt tegen hem uit. De joden hebben zich toch uiterst ondankbaar betoond tegenover het land dat hen steeds heeft opgenomen als iedereen hen verjoeg? En nu zijn ze een gevaar voor de natie!

Een beklemmend gevoel bekruipt de correspondent. De vreugde over de onafhankelijkheid heeft kennelijk een keerzijde. Waar moet dat heen met dit Polen, vraagt hij zich later af. De kloof tussen de bevolkingsgroepen is bijna onoverbrugbaar. „Arme idealisten”, verzucht hij, „die dachten dat dit de laatste oorlog geweest was, dat we nu een tijd van vrede tegemoet gingen.”

Nypels reist per trein door naar de hoofdstad Warschau. Die avond vangt hij op het station van Krakau een glimp op van wat volgens hem de kern van het probleem is. De perrons staan vol joodse vluchtelingen. Ze maken deel uit van de massa joden die in de wereldoorlog door de Russen naar Galicië zijn verdreven. Ze zijn nog altijd op drift.

Het is „een menigte om van te rillen, arme, voortgejaagde joden, hele gezinnen van vervuilde, arme mensenwrakken, zwak en ziek, die hun ellende weer enkele kilometers verder slepen gaan, overal de honger en de ziekte trachten te ontlopen om ze overal weer te vinden, maar op heel hun lijdensweg lijken achterlaten van omgekomenen – omdat niemand daar was om deze ongelukkigen te redden”.

In Warschau blijkt de armoede nog groter dan in Krakau. Aan de trams hangen trossen armelui, in lompen gehuld en stinkend uit al hun poriën.

De journalist gaat op zoek naar vertegenwoordigers van de Poolse joden. De gemeenschap valt uiteen in twee groepen, legt hij later uit aan zijn lezers: de zionisten, die vasthouden aan de joodse taal en cultuur, en de assimilisten, die zichzelf beschouwen als Poolse ingezetenen die alleen privé het joodse geloof aanhangen.

Uiteindelijk komt Nypels terecht in de imposante Grote Synagoge van Warschau. Daar legt een zekere dr. Posnanski hem het programma van de zionistische partij uit. De zionisten eisen het recht op sabbatsviering, op onderwijs in Hebreeuws en Jiddisch, op joods bestuur in joodse gemeenten en landstreken, en ten slotte willen ze gelijke rechten voor Polen en joden – en dat niet alleen op papier, maar ook op straat. Allemaal niet onredelijk, vindt Nypels.

Toch is hij veel meer te spreken over wat hij diezelfde dag hoort van de leider van de assimilisten, een zekere Boleslaw Eiger. De vriendelijke Eiger vertelt hoe volgens hem het antisemitisme in Polen is ontstaan. Het begon rond 1900, toen in het Russische deel van Polen veel joden arriveerden die uit het ‘kern’-deel van Rusland waren verjaagd. De Polen voelden zich bedreigd door deze vreemdelingen, die hun Russisch-joodse cultuur hadden meegebracht en niet bereid waren op te gaan in de Poolse samenleving. Ze richtten zelfs een Joodse Nationalistische Partij op. Dat versterkte het antisemitisme onder de Polen aanzienlijk: nationalistische Polen in Galicië richtten de antisemitische Nationaal-Democratische Partij op.

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog barstte het conflict in alle hevigheid los. De Duitsers bezetten in 1914 het Russische deel van Polen. Zij dwongen de joden, die het voor Duitsers verstaanbare Jiddisch spraken, om hen in het land de weg te wijzen. De Duitsers propageerden verder het Jiddisch op scholen omdat het een Duits dialect zou zijn. Toen daarna de Russen terugkeerden, executeerden die veel joden omdat ze gecollaboreerd zouden hebben met de Duitsers. Daarna deporteerden ze grote groepen joden naar het westen.

Een enorme ellende was het gevolg, vertelt Eiger: de afgelopen winter liepen in Warschau 42.000 dakloze joden rond. Vele anderen bivakkeerden in een van de negentig asielcentra in de stad. Het antisemitisme onder de Polen, die paradoxaal genoeg alle joden als bolsjewieken beschouwen, sloeg in alle hevigheid toe. Maar een minderhedenstatus is een slechte oplossing voor het probleem, benadrukt Eiger. Die zou leiden tot segregatie tussen de groepen. De joden willen alleen gelijke rechten voor alle inwoners van het land.

Nypels is het met hem eens. Een beschermde status zal die enorme groep op drift geraakte joden niet helpen, betoogt hij later. Die mensen creperen bij duizenden; ze zullen geen levensgeluk vinden in de garantie dat ze Jiddisch mogen spreken. Drie miljoen joden wachten op een oplossing, en dat probleem is te groot voor het jonge en zwakke Polen. Bovendien bestaat er te veel vijandigheid tussen de bevolkingsgroepen om ze binnen afzienbare tijd tot elkaar te brengen.

Nypels roept de westerse machten op hun ‘hetze’ tegen de Polen te staken en hun grenzen open te stellen voor de vluchtelingen. „Schelden op de Pool is goedkoop, maar zelf wat doen is flinker”, schrijft hij in een nauw verholen uithaal naar de Nederlandse regering.

De vrouw van consul Eiger is een bewonderenswaardig voorbeeld van iemand die wél iets onderneemt, voegt hij toe. Zij is voorzitter van het Pools-joodse comité tot steun aan de joden. „En wie in ons land een comité sticht om gelden te verzamelen voor haar liefdewerk onder die rampzalige, van alles berooide joden in Polen, die daar thans lijden en sterven als de beesten, weet in ieder geval zeker, dat er met dat geld joodse levens gered zullen worden.”

Als Nypels daartoe iets zal kunnen bijdragen, schrijft hij vlak voor zijn vertrek uit Warschau, „dan zal ik geen spijt meer hebben van al de werkelijk zeer grote vermoeienissen en beroerdheden van deze reis.”

Dit is een ingekort hoofdstuk uit De revolutieverzamelaar, de biografie van George Nypels door journalist Henk van Renssen die 16 november verschijnt bij Uitgeverij Podium.