Wilma in China

Sinds 1960 woont Wilma Hogendorp in Peking.

Ze overleefde hongersnoden en de Culturele Revolutie.

‘Er waren altijd anderen die op mij rekenden, voor wie ik moest zorgen.’

Net als ik bedroefd heb vastgesteld dat tegenwoordig iedereen in een flat woont in Peking, blijkt het adres dat ik zoek een ouderwetse hutong te zijn. Een steeg met aan beide zijden zwart bakstenen muren die onderbroken worden door houten poorten met rode deuren. Ik verdwaal in een doolhof van binnenplaatsen, tussen eeuwenoude gebouwtjes met golvende daken en bijgebouwde schuurtjes. Vanuit allerlei hoeken word ik gadegeslagen.

Daar woont de buitenlandse, wijst iemand: achter een deur met veel raampjes. Ze werd in Bandung geboren als Wilma Hogendorp, sinds 1960 woont ze in Peking onder de naam Mila Yang. Een kleine frêle vrouw met lange, witte krullen en donkere ogen in een bleek gezicht.

„Neemt u plaats. Nee, u stoort niet”, zegt ze in zorgvuldig uitgesproken Nederlands. Haar man, die in een fauteuil tegenover haar zat maar meteen voor een drankje gaat zorgen, spreekt alleen Chinees. Een laagstaande najaarszon schijnt door de glazen pui en verlicht de woonkamer, terwijl Wilma haar verhaal vertelt. Haar stiefvader was een Chinees-Indische arts. Dat gegeven heeft haar lot bepaald. De familie was na bewogen oorlogsjaren in Nederland terechtgekomen toen haar stiefvader zich geroepen voelde het Nieuwe China van Mao bij te staan. Dat viel niet mee. De stiefvader zou in China sterven, Wilma, haar moeder en haar zusjes keerden naar Holland terug.

„Maar ondertussen was ze verliefd geworden”, vult dochter Sophie aan die op bezoek is en uit een achterliggend vertrek tevoorschijn komt. „Hij kwam bij haar schuilen voor de regen onder haar paraplu.”

Terug in Den Haag kon Wilma haar Chinese ingenieur niet vergeten. Drie jaar werkte en spaarde ze. In 1960 nam ze de trein dwars door Siberië naar Peking.

„Geen makkelijk jaar om in China aan te komen”, zeg ik verbluft.

„Nee”, beaamt Wilma rustig. „Er heerste hongersnood.” Daar raakte zij niet door van slag. Gedurende de Japanse bezetting van haar jeugd had ze geleerd te overleven. „Alles was op de bon, maar als buitenlandse mocht ik in de Vriendschapswinkel kopen. Daar kon je mandarijnen krijgen, bijvoorbeeld. Buurkinderen die hier over de vloer kwamen wisten niet wat dat waren.”

„En er kwamen pakketten uit Nederland met poedermelk en kleertjes voor mij”, zegt dochter Sophie. Er kwamen veel vrienden op bezoek. „Want iedereen wist dat er hier iets te eten was”, zegt Wilma. Zo waren ze die tijd redelijk doorgekomen.

„Maar alle politieke omwentelingen daarna?”, vraag ik.

Wilma gebaart met haar hand alsof ze obstakels omzeilt. „We hebben geluk gehad”, zegt ze en betrekt haar man in het gesprek. „Ik was aanvankelijk docent op een hogeschool, maar de studenten werden mij te opstandig. Toen ben ik voor een fabriek gaan werken. Dat bleek een goed besluit te zijn geweest.”

Zeventien van zijn ex-collega’s van het instituut zouden worden doodgeslagen tijdens de Culturele Revolutie. De binnenplaats voor hun woning werd bezet door Rode Gardisten die hun rijke buurfamilie wilden uithongeren. ’s Nachts als de revolutionairen sliepen, bracht Wilma water en eten naar het aangrenzende huis. Ze deed wat gedaan moest worden. Voor haar was het leven in China een voortzetting van haar oorlogsjeugd in Indië. Als er geen geld was voor een riksja, droeg ze haar schoonmoeder op haar rug naar het ziekenhuis. Het buurtcomité drong er bij haar op aan communiste te worden. Wegens ‘ziekte’ wist ze dat te voorkomen.

Wel moest ze lange vergaderingen bijwonen, dochter Sophie zwaaide op school verplicht met het Rode Boekje, maar daarover schreef Wilma geen woord in haar brieven naar Nederland. „In dit huis werd nooit politiek bedreven”, zegt Wilma beslist.

„Hier binnen waren we eigenlijk gewoon een gelukkig gezin in die tijd”, zegt dochter Sophie. In 1979 maakte Wilma voor het eerst een reis terug naar Nederland, op uitnodiging van familieleden. „Alles was veranderd”, zeg ik. „Voelde u zich er nog wel thuis?”

Wilma lacht haar meisjesachtige lach. „Ik pas me overal aan. Holland was mooi geworden. Nou, fijn!” Daarna, weer in Peking, braken voor haar gouden jaren aan. De deur van China ging open, maar vrijwel niemand sprak een woord over de grens. Wilma werd gesmeekt Engels te doceren op de beste universiteiten van de stad. Haar leerlingen waren beroemde professoren. In zwarte staatsauto’s werd ze van het ene instituut naar het andere gereden. Ze kreeg er goed voor betaald. „Nu kwamen ze me weer vragen”, verzucht Wilma.

Met de Olympische Spelen in het verschiet moet een nieuwe generatie worden klaargestoomd. Nog steeds zijn er weinig docenten die zo vloeiend zijn in Mandarijn als Wilma en zo begaafd zijn als lerares. Ze lacht, een spijtig lachje nu. „Ik heb het moeten afwijzen, helaas.” Na een hartoperatie van zes jaar geleden voelt ze zich niet meer de sterke, veerkrachtige vrouw die ze altijd geweest is. Ze slaapt slecht, hooguit een uur of drie per nacht. Het verleden komt haar steeds scherper voor de geest. Hoe ze als klein meisje tijdens de oorlog koekjes verkocht omdat haar moeder en zusjes dat niet durfden uit vrees verkracht te worden. De wreedheid van de Japanners.

Maar het ergste was, zegt ze, haar stiefvader die haar vreselijk mishandelde. „Dat u nog leeft”, zeg ik. „Een ander mens was geknakt, gek geworden.”

„Ik heb me altijd voorgenomen dat niet te doen,” zegt ze ernstig. „Er waren altijd anderen die op mij rekenden, voor wie ik moest zorgen. Vanaf dat ik een kleuter was.”