We willen meer, meer, meer – en vergeten waardigheid

Het lijkt wel of alle verkiezings-retoriek is gericht op de hebzucht van de burger: economische groei staat bovenaan de agenda van partijen. Maar de inspiratieloze schaalver-groting in verpleeghuizen en scholen creëert een land vol gevaarlijk gestreste burgers. Wie gaat zich sterk maken voor de publieke zaak?

Cyrille Offermans

Publicist en schrijver van het boek ‘Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder’.

Dat actieve politici doorgaans over niet meer dan een wrak kortetermijngeheugen beschikken, wordt nog eens gedemonstreerd door de programma’s waarmee de diverse partijen momenteel reclame maken. Thema’s die tot voor kort op alarmerende wijze werden besproken, alsof het land zich moest voorbereiden op een langdurige oorlog, worden nu in een bijzin afgehandeld.

In de achterstandswijken van de grote steden is het smeulende vuur van de straatanarchie kennelijk gedoofd; armoede, discriminatie, racisme, uitsluiting en woningnood lijken ons nauwelijks nog te verontrusten. Alle verkiezingsretoriek is, meer dan ooit, geconcentreerd op de hebzucht van de burger. Dat een politicus het waagt van welgestelde ouderen een paar tientjes per maand te vragen in het kader van de solidariteit met minder welgestelde leeftijdgenoten, wordt opgeblazen tot een nationale schande.

Misschien het meest in het oog springend is de plaats van de zorg in de verkiezingsprogramma’s. Een paar jaar geleden is het nog maar dat politici van links tot rechts de zorg voor zieken en ouderen tot niets minder dan dé toetssteen van beschaving uitriepen, nu stellen VVD en CDA ongegeneerd voor op de zorg te bezuinigen. Je zou de indruk krijgen dat er in recordtijd veel ten goede zou zijn veranderd, maar daar is geen sprake van. De Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen van de Universiteit van Maastricht bracht onlangs aan het licht dat één op de vier patiënten in ziekenhuizen en bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen ondervoed is. Richtlijnen die ondervoeding moeten voorkomen, worden onvoldoende nageleefd. Minstens zo symptomatisch – want wijzend op verregaande ongeïnteresseerdheid – is het feit dat bij meer dan de helft van de patiënten ondervoeding niet eens wordt waargenomen.

En dat is niet zozeer een persoonlijk manco van de individuele zorgverlener, het gaat om een manco dat wordt gestimuleerd. De voor geen pijn, verdriet of wanhoop gevoelige blik van de zorgverlener stemt exact overeen met de professionele instelling die door zorgbureaucraten wordt voorgeschreven. Die beweren immers dat bezuinigingen in de zorg niet ten koste hoeven te gaan van de kwaliteit; efficiënter werken zou voldoende zijn. Afgezien van de blindheid die eruit spreekt voor de excessieve schaalvergroting van de ouderenzorg die ons op korte termijn te wachten staat, is die opvatting een vrijbrief voor nog meer onverschilligheid. Ongevoeligheid voor alles wat buiten het logische domein van de efficiency valt, wordt tot beroepsnorm verheven. Politici die zeggen zich zorgen te maken over de verharding van de samenleving, hebben kennelijk niet in de gaten dat ze door het nemen van dit soort maatregelen die verharding juist institutionaliseren.

Tegelijk kan dit voorbeeld duidelijk maken dat de door ‘lastenverlichting’ noodzakelijk geworden bezuiniging onmiddellijk leidt tot een verzwaring van de lasten – financieel en mentaal – voor iedereen die van deze zorg afhankelijk wordt. Als het aan de rechtse partijen ligt, zal de tweedeling in de zorg snel onherroepelijk worden. Lastenverlichting spekt de beurzen van de rijken zodanig dat zij zich met gemak kunnen laten vertroetelen in een van alle luxe voorzien zorg- en revalidatiechâteau in Zuid-Limburg of de Achterhoek. Maar voor het merendeel van de mensen is die ‘keuzevrijheid’ niet weggelegd. Zij zullen aangewezen blijven op de bestaande armetierige, steeds verder uitgeklede en dus steeds minder tegen hun taak opgewassen instellingen.

De houding van veel politici tegenover de zorg is symptomatisch voor hun maatschappijvisie. Zij worden uitsluitend gedreven door het verlangen naar economische groei en gaan ervan uit dat misstanden in de samenleving dan wel vanzelf zullen worden opgelost. Ambitie kennen ze alleen in de vorm van investeringen, van geldzucht en consumptieve bestedingen, mensen kunnen hun waarde uitsluitend bewijzen op de arbeidsmarkt. Ambitie is ‘alles eruit halen wat erin zit’ – een gevaarlijk geloofsartikel.

Dat daar onder politici een vrijwel unanieme consensus over bestaat, laat zien dat hun politieke bewustzijn wordt gedomineerd door principes van de sport, wat niet verward mag worden met sportieve principes. In de sport gaat het erom wie het sterkst of het snelst is, het middel dat de sportman daartoe aanwendt – het ontwikkelen van kracht, van snelheid – is tegelijk het doel van zijn inspanningen. De sportman bewijst vanaf de eerste stap die hij zet over een teveel aan energie te beschikken, sportmensen zijn kampioenen van de energieverkwisting en de zelfexploitatie.

Logisch dat politici daarvan gaan zwijmelen. Zij zijn er immers van overtuigd dat er nog ruim onvoldoende energie wordt gepompt in ‘onze’ economie. Er zit iets dreigends in de toon waarop de burgers worden aangemoedigd naar onvermoede sluimerende voorraden in zichzelf te zoeken. De jacht op vrouwen en ouderen die ook wel eens iets anders willen dan werken, is al een tijd in volle gang. Maar vooral uit de jongeren, verwend en lui als ze zijn, valt nog veel te halen. Daartoe dienen ze, al of niet onder semi-militaire dwang van een taskforce, onderwijs te volgen.

De gedroomde school moet, meer nog dan nu al het geval is, een instelling worden die voorbereidt op het echte leven, alias de arbeidsmarkt. Derhalve zou de leerling gebaat zijn bij de mentaliteit van de topsporter, hij moet leren dat het mooi en goed is zich in te spannen louter om de inspanning zelf, de beloning komt later, in de vorm van een goedbetaalde baan.

Scholen zijn niet bedoeld om jonge mensen te verheffen uit de zielloze routines en reflexen van alledag, eerder om hen te leren zich daar zonder protest in te schikken. Elk potentieel enthousiasme wordt er systematisch in de kiem gesmoord. En systematisch betekent: met alle organisatorische en didactische middelen. Dat mag in strijd lijken met de zo bejubelde zelfwerkzaamheid van de leerling (als effect van de diskwalificatie van de leraar), maar dat is schijn.

Meer dan ooit moeten leerlingen vooraf vastgestelde parkoersen doorlopen, meer dan ooit zijn die parkoersen opgedeeld in deelparkoersen waarvan de plaats in het geheel zelden duidelijk is. Zo kan tijdig worden vastgesteld waar precies de leerling faalt en via welk oefenparkoers hij alsnog kan aansluiten op het hoofdparkoers. Het hele proces wordt streng bewaakt, elke fase wordt gecontroleerd en gerapporteerd, het leren staat in dienst van de (eind)rapportage, niet andersom.

Zo bevordert het onderwijs de schijnzelfstandigheid van de leerling, in feite wordt hij verplicht tot volgzaamheid en passiviteit; het quasi-objectieve systeem van meerkeuzevragen is daarvan de treffende uitdrukking. De training bestaat er vooral uit dat hij leert nooit meer iets te doen, hoe aanlokkelijk op het eerste gezicht dan ook, wat geen punten, geen vinkje, geen voortgang oplevert. Scholen modelleren hem tot consument, een harde werker die waar voor zijn geld eist, scholen zijn bovenal leerscholen in blinde baatzucht.

Socioloog Georg Simmel was een van de eersten die begrepen dat het moderne leven een verandering van de persoonlijkheidsstructuur van het individu vereiste. In een klassiek opstel uit 1903 constateert hij dat het individu op het verhoogde ritme van het stadsleven reageert met ‘geblaseerdheid’ en ‘indifferentie’, maar ook met een ‘voortdurende nervositeit’, de paradoxale symptomen kortom van de neurasthenicus, een zenuwenlijder. Ik zou de stelling willen verdedigen dat het tegenwoordig de primaire functie van de school is voor te bereiden op dat leven van onverschillige zenuwenlijder, voor zover die taak niet al eerder door de amusementsindustrie is volbracht. De school zet de leerling onder een permanente druk. Wat hem niet meer wordt geleerd is rustig kijken, luisteren, nadenken, lezen, heel veel lezen, iets nadoen, iets nieuws proberen. Hij mag niet wennen aan onzekerheid of dubbelzinnigheid, hij mag niet verslingerd raken aan problemen waar geen eenduidige en misschien zelfs helemaal geen oplossingen voor bestaan, hij mag niet in de ban raken van de nutteloze schoonheid van de natuur of de kunst, hij mag vooral niet plotseling tot het besef komen dat er waardiger levensvormen bestaan dan die van de nerveuze, eeuwig ontevreden consument.

Het gaat niet om de alternatieven kennis versus vaardigheid, zoals de huidige schoolstrijd doet vermoeden, het onderwijs hoeft niets anders te doen dan de intellectuele nieuwsgierigheid van de leerling te wekken. De rest, inclusief de werklust, komt dan vanzelf. Je zou ook, om aan een oud sociaal-democratisch ideaal te herinneren, kunnen zeggen dat de school – à la Theo Thijssen – de leerling moet verheffen, dat ze hem het inspirerende gevoel moet geven dat hij niet is geboren om zich te schikken in de treurige kringloop van produceren en consumeren, van verbruikt worden en moeten verbruiken.

De filosoof Bertrand Russell schreef in 1932 een opstel getiteld In Praise of Idleness, ervan overtuigd dat nog slechts een absurd ‘protestants’ arbeidsethos ons ervan weerhield nu ook eens van onze rijkdommen te gaan genieten. Driekwart eeuw later zijn Russells arcadische verwachtingen gelogenstraft en floreert dat arbeidsethos meer dan ooit; niettemin zijn er nu zeer dwingende redenen naar een radicaal andere verhouding tussen economie en leven te zoeken. Ik noem de belangrijkste.

De economische groei stuit op ecologische grenzen. De geïndustrialiseerde landen plegen een steeds intensievere roofbouw op de grondstoffen van de aarde, zonder welke menselijk leven niet mogelijk is. Sinds ongeveer dertig jaar verbruikt de wereld meer natuurlijke hulpbronnen dan de natuur vernieuwen kan. De biosfeer vertoont dan ook al duidelijke tekenen van uitputting en desintegratie. Gebrek aan essentiële grondstoffen, klimaatverandering en smeltende poolkappen kunnen tot ongekende rampen en onbeheersbare conflicten leiden.

Aangezien de ecologische voetafdruk van de rijke landen vele malen groter is dan die van de arme, zullen de rijke landen hun gebruik moeten terugschroeven. Een politieke partij die zich niet door hebzucht van haar aanhang maar door inzicht in de wereldwijde probleemsituatie én door ethische principes laat leiden, zou zich allereerst moeten richten op het bevorderen van fair trade. Dat is de enige manier om de bewoners van de arme landen in hun eigen land economisch vooruit te helpen, of liever: het recht te geven op een eigen economische ontwikkeling, en tegelijk een halt toe te roepen aan de uitputting van de aarde.

De eenzijdige concentratie op economische groei heeft ook in de eigen omgeving, en direct waarneembaar, veel kapotgemaakt. Nederland is lelijker dan ooit, maar plannen om de wildgroei van uitdijende buitenwijken, fabrieksterreinen, vakantieparken en golfbanen aan banden te leggen, om over de totale asfaltering nog maar te zwijgen, zijn alleen maar hinderlijk voor het vrije ondernemerschap. Op allerlei gebieden is sprake van verwaarlozing, verslonzing, vervuiling, achterstallig onderhoud, soms onherstelbaar. „Net als Amerikanen en Engelsen worden we rijker”, zegt cultuureconoom Arjo Klamer (Opinie & Debat, 14 oktober), „maar niet gelukkiger.”

Nog altijd is er woningnood, kwalitatief en kwantitatief, maar in plaats van een sociaal huisvestingsbeleid te ontwikkelen schaft de regering beperkende regels af voor zakkenvullende projectontwikkelaars en bouwondernemingen. Binnen één generatie zijn huizen onbetaalbaar geworden voor stellen die niet over een dubbel inkomen beschikken. Dus wordt de kinderwens uitgesteld, vaak tot het te laat is, of besluit men helemaal geen kinderen te nemen. Voor alleenstaanden of mensen met een laag inkomen is de situatie natuurlijk nog treuriger, soms ook tragikomisch of ergerlijk. Embleem van de kleine homo economicus: een benzineverslindende BMW onder zijn kont, maar geen fatsoenlijk dak boven zijn hoofd.

Minder duidelijk zichtbaar maar op termijn zeker zo desastreus is de erosie van burgerlijke waarden. Wie herinnert aan oude, respectabele deugden als zorgzaamheid en hoffelijkheid, onbaatzuchtigheid en solidariteit, kan rekenen op een meewarige grijns. Politiek bewustzijn, slechts mogelijk dankzij het besef van het (latent) gemeenschappelijke van situaties en problemen, maakt plaats voor egocentrische kansberekening en belangenbehartiging, ook wel ‘eigen verantwoordelijkheid’ genoemd.

Traditionele bestanden, waar elke vitale maatschappij uit put, kwijnen in hoog tempo weg. Zoals oude literatuur voor bijna iedereen ontoegankelijk is geworden, ondanks de reële zegeningen van internet, zo verdwijnt ook de kennis en de ervaring nodig voor een ecologisch en sociaal verantwoorde revitalisering van de stedenbouw, de gezondheidszorg, het natuurbeheer, de land- en tuinbouw, de veeteelt, de culturele instellingen, het onderwijs.

De onvrede bij de nog uitsluitend als consument gedefinieerde burger kan alleen maar toenemen. Aangezien met de grenzeloze begeerlijkheden van de markt ook de concurrentieverhoudingen in alle domeinen van het leven binnendringen, wordt hij voortdurend op zijn tekorten gewezen, hoe rijk hij eventueel ook is. Elke blik uit het raam, in een tijdschrift, op de tv, bevestigt die tekorten. We moeten meer, meer, meer, altijd maar meer, meer dan we zelf hebben, meer dan onze buren, collega’s, vrienden, concurrenten. Het menselijke tekort heeft – driekwart eeuw na Malraux’ inzichtrijke boek – de verrassende gedaante aangenomen van het consumptieve tekort.

De door Simmel gediagnosticeerde ‘neurasthenie’ is bepalend geworden voor de condition humaine in het tijdperk van de ontketende economische globalisering. Alles wijst erop dat de eenentwintigste eeuw de gouden eeuw van de onverschillige zenuwenlijder wordt. Zonder significante koerswijzigingen zullen jaloezie en ressentiment, achterdocht en lichtgeraaktheid, onvermijdelijk en op grote schaal toenemen. Nu wordt de onvrede nog grotendeels gekanaliseerd door het commerciële massa-amusement en in het bijzonder de sport; in tijden van sterke economische regressie, bijvoorbeeld bij een allerminst denkbeeldige grondstoffen- of energiecrisis, kan ze plotseling onbeheersbaar worden en omslaan in regelrecht geweld.

Maar daar gaat de politieke discussie niet over. Die discussie is zelf, zoals politicoloog Jos de Beus (Opinie & Debat, 21 oktober) constateert, in hoge mate onderdeel geworden van de amusementsindustrie. Al met al de hoogste tijd dat links ophoudt met zeuren over AOW-verschillen van een paar promille. In plaats van aan te schurken tegen de voorvechters van een agressief kapitalisme en een autoritaire staat, moet het zijn eigen weg gaan. Links moet zich concentreren op de publieke sector, allereerst op alle vormen van veiligheid, zorg en onderhoud, vorming en cultuur, dus mag het ook niet bang zijn voor een progressieve lastenverzwaring. Alleen door inspirerende herstel- en compensatieprogramma’s kunnen de gevaarlijk gestreste burgers ontspannen en het opgehoopte ressentiment beetje bij beetje civiliseren.

De artikelen van Jos de Beus en Arjo Klamer zijn na te lezen via www.nrc.nl/opinie