Pagina 1 van ‘Eend’

De Achterpagina vroeg vijf auteurs van jongerenmagazine Spunk om de eerste pagina van een nieuwe roman te schrijven. Vandaag, in deel 2, Renske de Greef. De illustratie werd gemaakt door ATTI.

De man in de witte jas kijkt ons aan over zijn bril. Hij is een dierendokter, hij maakt dieren beter, repareert ze zoals mijn papa ooit mijn fiets weer maakte toen ik ermee was gevallen en het achterste wiel helemaal scheef stond. Acht kinderen bij mij in de klas willen later als ze groot zijn dierendokter worden, drie piloot en twee zangeres, het liefste bij K3. Eén iemand wilde iets anders worden.

„De duif is heel erg ziek, jongens”, zegt de man nu. Hij is wel aardig, maar ik kan zien dat hij iets gaat zeggen wat ik niet wil horen, misschien komt dat door zijn stem, hij praat alsof we in een ziekenhuis zijn. Dat zijn we natuurlijk ook een beetje. Ted kijkt naar de duif en maakt een geluid. Hij lacht. Ik weet dat het lachen is, ik kan dat horen, hij lacht soms als een soort grommen. De dokter kijkt op naar Ted en praat vervolgens nog wat zachter. De dokter denkt vast dat Ted moet huilen. „Hij heeft heel veel wondjes, zoals je kan zien. Misschien is hij onder een auto gekomen. Is hij van jullie? Waar zijn jullie ouders?” Ted doet meteen een stapje vooruit. Hij praat hard, veel harder dan de dierendokter.

„We hebben hem gevonden en ik wist dat hier een dierenarts zat.” Ted weet altijd wat je moet zeggen, vooral als je iets niet kan zeggen. Nu kijkt de dokter mij aan. Ik knik, voel dat ik rode wangen heb. Het is waar, we hebben hem ook echt gevonden, bij de brug. Hij zat onder een struik. Bij de brug zitten heel veel duiven, als je eronder door fietst zie je overal witte plekken van de duivenpoep en kleine grijze veertjes. Papa heeft wel eens laten zien dat in de kleine spleten soms ook nesten zitten, duivennesten. Eén keer heb ik een nest gevonden met vijf eitjes erin, kleine gespikkelde eitjes in een soort zacht dons. Ik heb Ted nog niet verteld van de nesten.

De duif zag er toen ook al ziek uit, hij had een wond op zijn borst en vleugel. Ik wilde hem aaien, maar hij kroop weg, scharrelde achteruit, hij was bang voor me. Volgens mij heette hij Koen, dat paste wel bij hem. Ik wilde het zeggen, maar Ted gooide een steentje naar de duif. Als de duif schrikt, lacht hij. Hij praat niet alleen hard, hij lacht ook hard.

Het was zijn idee, het was zijn zakmes dat de takjes en lollystokjes sleep, dat er kleine scherpe puntjes aan maakte. Zijn idee, zijn mes, zijn takjes, maar ik prikte ook, terwijl hij grijnzend toekeek. Zeker drie keer.

„We zullen hem een spuitje moeten geven, weten jullie wat dat is?” Ted doet nog een stapje vooruit, ik zie hem heftig knikken, hij staat nu met zijn neus bovenop de duif. Ik doe een stapje achteruit. Toen de juf vroeg wat ik wilde worden, zei ik per ongeluk wat ik dacht.

„Vogel”, zei ik, „ik wil graag een vogel worden.” Iedereen lachte me uit.