Ondervoeding in baarmoeder vergroot kans op hartkwaal

Mensen die tijdens de hongerwinter van 1945 zijn verwekt, krijgen twee keer vaker hart- en vaatziekten dan gemiddeld. Bovendien beginnen de problemen op jongere leeftijd. Zo luidt de belangrijkste conclusie van arts en epidemioloog Rebecca Painter, die deze week promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Het verhoogde risico op hartklachten is een laat gevolg van de ondervoeding van zwangere vrouwen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Daardoor hebben veel kinderen in de baarmoeder een tekort aan voedingsstoffen gehad.

Epidemioloog David Barker ontdekte twintig jaar geleden al een relatie tussen een laag geboortegewicht en gezondheidsklachten op latere leeftijd. Dit bracht hem op het idee dat slechte voeding in de baarmoeder kan leiden tot chronische ziekten op volwassen leeftijd. Diverse studies hebben inmiddels deze foetale-oorspronghypothese ondersteund.

Het Amsterdamse ‘Hongerwinter Onderzoek’ dat in 1994 van start ging, laat zien dat ondervoeding in de baarmoeder een grotere kans geeft op een verhoogd cholesterol, op suikerziekte, schizofrenie en een extra stijging van de bloeddruk bij stress. De kans op schadelijke effecten bij het ongeboren kind lijkt het grootst als de voedselschaarste optreedt rond de bevruchting of tijdens de eerste drie maanden van de zwangerschap.

De onderzoeksgroep van deze studie bestaat uit een kleine duizend mensen die tijdens of vlak na de hongerwinter in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam zijn geboren en van wie de geboortegegevens bewaard zijn gebleven. Painter maakte onderscheid tussen blootstelling aan honger tijdens de eerste, de middelste en de laatste drie zwangerschapsmaanden. Mensen die kort voor deze winter geboren zijn, of erná verwekt, dienden ter vergelijking.

Kinderen van moeders die de eerste drie maanden van hun zwangerschap aan de hongersnood waren blootgesteld, bleken twee keer zo vaak (13%) en drie jaar eerder hartkwalen te krijgen (gemiddeld op 47-jarige leeftijd). De kinderen van moeders die pas na de derde maand van de zwangerschap de hongerwinter meemaakten, hadden níet vaker of eerder hartklachten.

Volgens Rebecca Painter tonen de resultaten het bestaan van ‘kritische perioden’ in de ontwikkeling van het ongeboren kind aan. Organen zijn in een bepaalde periode van de embryonale groei extra gevoelig voor schade. Treedt in zo’n periode een voedingstekort op, dan veroorzaakt dat permanente schade aan dat orgaan. De kritische periode van de ontwikkeling van het hart lijkt in de eerste drie maanden van de zwangerschap te liggen. Deze bevindingen kunnen van belang zijn voor vrouwen die last hebben van zwangerschapsbraken. Ongeveer 1% van de zwangeren braakt zo vaak, dat ernstige ondervoeding optreedt.

Het is niet duidelijk of de verhoogde kans op hart- en vaatziekten helemaal wordt verklaard door de al eerder gevonden grotere kans op risicofactoren als suikerziekte en een hogere bloeddruk. Ook het achterliggend moleculair mechanisme dat tot de afwijkingen leidt, is onbekend.

Paulus Lips