Niet willen scoren

Scheidend Tweede-Kamerlid Ursie Lambrechts heeft nooit in het onderwijs gewerkt. Maar na twaalf jaar onderwijswoordvoerder te zijn geweest namens D66, wordt ze wel gezien als onderwijsspecialist. Toen Lambrechts in 1994 in de Kamer kwam, was de basisvorming in het voortgezet onderwijs net een jaar bezig. De eerste scheurtjes in de onderwijsvernieuwingen van de jaren negentig werden zichtbaar. Er zouden er nog meer volgen.

Schrok u van de problemen in de basisvorming die u aantrof?

“In 1994 bleek al snel dat er problemen waren met de implementatie. Alle leerlingen volgden hetzelfde programma en het was één groot toetscircus geworden. De zwakste kinderen scoorden daardoor voortdurend onvoldoendes. Didactisch gezien totaal onverantwoord. Tegen die praktijk heb ik me meteen hard verzet.”

Was de basisvorming op zichzelf een slecht idee?

“De basisvorming wilde alle leerlingen in dezelfde positie brengen door hun dezelfde leerstof aan te reiken. Dat werkte niet. De niveauverschillen tussen leerlingen waren veel te groot. Wat ook niet hielp, was de invoering van de ‘efficiënte leerwegen’. Leerlingen mochten niet meer ‘stapelen’, bijvoorbeeld van mavo naar havo. En zittenblijven was helemaal fout: dat kostte tenslotte extra tijd. Dat had veel schooluitval tot gevolg.”

Waarom hebt u in 1995 dan toch voor de volgende vernieuwing, het studiehuis, gestemd?

“Achteraf waren er veel gelijkenissen tussen het studiehuis en de basisvorming. Dankzij D66 is het nog met een jaar uitgesteld.”

Kreeg u spijt van uw steun?

“PvdA-staatssecretaris Netelenbos had gezegd dat 80 procent van de scholen er al klaar voor was. Dat bleek slechts 20 procent te zijn. Het waren te veel veranderingen tegelijkertijd. Het didactische programma werd omgegooid, er kwamen veel meer vakken, leerlingen moesten zelfstandiger gaan werken en er zou meer met ict worden gewerkt. Daar was ik in de kern wel voor. Maar het studiehuis was te overladen, te versnipperd en had te weinig diepgang.”

Hoe oordeelt u nu over de Paarse onderwijs-staatssecretarissen?

“Ik moet krediet geven aan wijlen staatssecretaris Adelmund (PvdA). Zij maakte het studiehuis lichter en ze toonde een enorme betrokkenheid bij het onderwijs. Haar voorgangster Netelenbos vond ik minder geslaagd. Zij had grote plannen voor hervormingen, maar ze had geen oog voor de uitvoeringsproblemen. Wat ik haar heb verweten, is dat ze niet de volle informatie op tafel heeft gelegd. Een paar dagen nadat de Kamer voor het studiehuis had gestemd, bleek uit een inspectieverslag dat de pilots een groot drama waren. Ik móét aannemen dat zij dat heeft geweten. Dat vind ik stuitend.”

Wat vindt u van minister Maria van der Hoeven, die wars is van nog meer vernieuwingen?

“Zij wordt door velen als een verademing ervaren. Het klopt dat ze geen grootse toekomstvisie heeft, maar daar zat het onderwijs ook niet op te wachten. Dat heeft wel weer een ander nadeel, dat ik ook niet had voorzien. De ruimte die de overheid geeft, wordt nu ingenomen door pedagogische centra die met nieuwe blauwdrukken komen. Scholen voeren bijvoorbeeld en masse het nieuwe leren in en ineens heeft iedereen het over competenties. Er lijkt wel minder diversiteit te zijn dan toen de overheid het nog bepaalde.”

Moet Rita Verdonk minister van Onderwijs worden?

“Nee, alsjeblieft niet. Zij is het laatste waar het onderwijs op zit te wachten. Maar ik snap wel dat lijsttrekker Rutte bij de VVD het woord niet voert over onderwijs. Dat zou als oud-staatssecretaris ongeloofwaardig zijn: hij heeft bijvoorbeeld pas veel te laat iets gedaan tegen schooluitval.

U hebt het manifest van ‘Beter Onderwijs Nederland’ ondertekend. Wilt u terug naar vroeger?

“Nee, dat wil ik niet. Ik vind het goed dat deze club de nadruk legt op de leraar als de kern van het onderwijs. Die was volkomen ondergesneeuwd. Bovendien keert Beter Onderwijs Nederland zich tegen de trend dat er steeds minder onderwijs wordt gegeven en dat leerlingen het allemaal zelf moeten uitzoeken. Van meer vakinhoud worden ze niet slechter.”

Was u een kritisch Kamerlid?

“Dat heb ik wel altijd geprobeerd. Ik heb me er altijd tegen verzet dat prille ideeën in een regeerakkoord worden opgenomen. Zoals nu ook weer dreigt te gebeuren met de zorgplicht, die gewone scholen verantwoordelijk maakt voor passend onderwijs voor alle kinderen, ook als ze een handicap hebben. Dan wordt zo’n idee een prestigekwestie voor de bewindspersonen en moet het worden doorgevoerd, zelfs als blijkt dat het niet werkt.”