Met z’n allen de fuik in

Zou het afgesproken werk zijn? Minder dan een week na elkaar publiceren het Ruimtelijk Planbureau (RPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) elk een studie die een licht werpt op hoe we het wel steeds drukker hebben maar er niet op vooruitgaan.

Het SCP-rapport gaat over de ontwikkeling van onze tijdsbesteding. De boekomslag toont een stationsklok die half onder water staat. Ergens in het water zweven een paar losse tandwieltjes die duidelijk niet zitten waar ze horen en ook niet doen waar ze voor bedoeld zijn. Het ziet er een beetje ontregeld en ontredderd uit, en dat klopt ook wel volgens het SCP. We zijn bezig ergens in te verzuipen, althans een groot deel van ons. Vooral in de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar voelt de helft van de onderzoeksgroep zich ten minste een dag per week ‘gejaagd’. Twintigers en dertigers hebben daar meer last van dan de ouderen, en vrouwen meer dan mannen. Sinds het begin van deze onderzoeksreeks in 1975 zijn we gemiddeld vijf uur per week meer gaan werken. Dat betekent niet dat iedereen meer uren maakt op zijn werk, maar dat er meer mensen zijn gaan werken. Dat zit vooral in de toestroom van vrouwen naar betaalde banen. Die extra werkuren zijn uit onze week geperst door te beknibbelen op aandacht voor familie en vrienden.

Waar deden we het ook alweer voor? Hoe kwamen we op het idee dat het belangrijker is er een baan bij te nemen dan tijd voor vrienden en familie te hebben? De wens tot persoonlijke ontwikkeling en ontplooiing speelt daar vast een rol in, voor sommigen. Voor veel anderen zal het er toch ook om te doen zijn, gewoon wat extra geld te besteden te hebben. Vroeger werkte Jan alleen. Van zijn loon of salaris kon hij het hele gezin onderhouden en er was geld voor de hypotheek. Als Marie er nou ook bij ging werken, zouden ze samen meer leuke dingen kunnen doen. En een mooier huis kopen.

Dat was mooi voor de eerste Jan en Marie die dat zo bedachten. Maar toen het aantal tweeverdieners aanzwol tot een paar miljoen en die allemaal mooier en groter wilden wonen, ontstond er een pervers effect. Daar wijst het onderzoek van het Ruimtelijk Planbureau met laconieke logica op: „Als het inkomen stijgt, stijgt de vraag naar woningen, er ontstaat krapte op de huizenmarkt en de prijzen stijgen”. Op die krapte valt nog wel wat af te dingen, want er zijn niet minder huizen. Er is wel meer geld dat dezelfde hoeveelheid huizen achternazit. In het begin viel dat nog wel mee, toen de hypotheekverstrekkers van dit land het tweede inkomen van een huishouden als een te wankele basis zagen om er een financiering op te verstrekken. Vrouwen willen uiteindelijk toch kinderen, en als de baan niet bevalt, geven ze er zo de brui aan. Zo werd daar toen tegenaan gekeken. Toen de banken dat beleid verlieten, gingen de geldsluizen pas goed open en de huizenprijzen de lucht in.

De mensen van het RPB houden zich bezig met ruimtelijke ordening. Vanuit dat standpunt kunnen zij ook gemakkelijk zeggen dat de gestegen huizenprijzen geen probleem zijn. Immers, de prijzen zijn wel hoog maar de rente is laag en de inkomens zijn gestegen. Wie die effecten bij elkaar optelt, stelt vast dat alle Nederlanders bij elkaar nu een even groot deel van hun inkomen kwijt zijn aan wonen als twintig jaar geleden. En dat is inderdaad geen probleem, economisch en planologisch gezien.

Maar wel voor Marie. Wat haar betreft was het de bedoeling dat met haar inkomen extra financiële ruimte en vrijheid zou ontstaan – niet dat zij een groot deel zou moeten inleveren voor de rubriek woonlasten van het huishoudbudget. Tel daarbij een aantal extra uitgavenposten als oppas en buitenschoolse opvang, duurdere kant-en-klaarmaaltijden, de noodzakelijke tweede auto – allemaal kosten die er vroeger niet waren – en één ding is duidelijk. De bank hoeft niet bang te zijn dat zij op frivole gronden de brui geeft aan baan of carrière. Ze kan niet, ze zit vast. En dan zijn we bij dat gejaagde gevoel waar het SCP het over heeft, de last van gestapelde verplichtingen, zeker bij gezinnen met kinderen met twee werkende ouders. Dan schiet het vriendenbezoek erbij in. En de hulpbehoevende ouders, er zit niets anders op dan daar professionele hulp bij te halen. Van weer iemand anders dus, die ook de hypotheek op een duur huis moet helpen opbrengen.

Het ziet ernaar uit dat we met zijn allen in een fuik gezwommen zijn. We werken harder maar we zijn er niet op vooruitgegaan. Maar terug, stoppen met hard en dubbel werken, kan niet meer. En stoppen met dure huizen kopen ook niet, zeker niet voor de jong-volwassen kinderen van Jan en Marie die zich als starters op de woningmarkt melden.

We zijn bestolen. Sommigen meer dan anderen, en het minst nog de ouderen die al een huis hadden voordat de fuik werd gezet. Maar de echte verliezers zijn de clubs en de sociale verbanden, de plekken waar we elkaar tegenkwamen en iets voor elkaar betekenden. Ik heb een vriend, leeftijdgenoot, die ik wekelijks ontmoet in een gezelschap waar we allebei lid van zijn. Hij werkt als interim-manager bij uiteenlo-pende bedrijven, en zo komt hij vaak terecht in teams van jonge professionals. „Ik vertel ze dat ze maandag ’s avonds niet op mij moeten rekenen, omdat ik dan hier ben”, zei hij me laatst. „Bij hen komt dat niet meer voor. Er is geen vaste eindtijd aan het werk meer, en dus ook geen begin van de eigen tijd”. De welvaart wordt duur betaald.