Luchtsardientjes

1369

Het is met Yasser Arafat begonnen: die heeft de moderne vliegtuigkaping uitgevonden. Ieder nieuw soort aanval leidt tot een nieuw soort verdediging.

Voor het tijdperk van de kapingen konden de passagiers gewoon het vliegtuig in, zonder bij voorbaat als potentiële massamoordenaar te worden beschouwd. Daarna moest je door een elektronisch poortje waarin een mechanisme begon te piepen als je metalen dingen in je zak had. Nog altijd. Je hebt een paperclip in een zak laten zitten en wordt gefouilleerd als een gangster. Maar je bent niet verbaasd; niemand besteedt er verder enige aandacht aan. Het hoort zo.

Handbagage op een transportband. Gevaarlijke dingen worden je afgenomen. Zo ben ik heel in het begin van het totale controletijdperk een dierbare schaar kwijtgeraakt, op Schiphol. Het ding ging in een containertje van doorzichtig plastic. Dat was al half gevuld met risicomateriaal, een zaklantaarntje, mesjes, scherpe spulletjes. Wat gaat u met mijn schaar doen, vroeg ik de bewaker. Omsmelten! Een klein stukje van mijn geheugen in de smeltoven. In het vliegtuig werd het metalen bestek vervangen door plastic. Vliegen werd armoediger en onbarmhartiger.

De kapers werden vernuftiger, de verdedigers ook. Nadat één man explosieven in zijn schoenzolen had verstopt, moesten we voortaan allemaal bij de bewaking onze schoenen uittrekken. De laptop kwam in een verdachte reuk te staan. Laptop uit de handbagage, opendoen en aanzetten. Zorgvuldig ingepakte koffer overhoop. Het is een klein ongemak dat je je moet laten welgevallen omdat op die manier een grote ramp kan worden voorkomen.

Maar het blijft ongelofelijk stomvervelend. Kan de bewaking niet aan mijn gezicht zien dat ik een door en door onschuldige passagier ben, wiens enige wens het is zo vlug mogelijk van A naar B te komen? Kunnen ze bij de toegang geen geoefende mensenkenners neerzetten? Hoe word je een geoefend mensenkenner? Het is moeilijker dan je denkt. De beste mensenkenners zijn tot dusver de elektronische detectors.

Soms heb je geluk. Je kunt over de schouder van de bewaker meekijken naar wat hij op zijn scherm in andermans bagage en jaszakken ziet. Chaos, een kleine rommelmarkt waarin alleen de eigenaar de weg weet. Als je in iemands hoofd kon kijken, de stroom van gedachten volgen, zou je waarschijnlijk in principe niet veel anders zien.

En toch, als je de meeste mensen aanspreekt, komen er samenhangende zinnen uit hun mond. Het hoofd is een kleine koffer die we levenslang op onze schouders dragen. Met de inhoud kunnen we ons vaak of meestal heel aardig redden. Het voordeel van het hoofd boven de koffer is, dat je het niet kunt uitpakken en dat er geen apparatuur bestaat waarmee denkbeelden kunnen worden ontdekt die door andere mensen gevaarlijk worden gevonden. Sommigen denken dat je met een beetje martelen er wel achter kunt komen of je contrabande onder je schedeldak hebt. Maar als luchtpassagier hoef je in ieder geval nog niet door een martelkamer.

Nu hebben we de gevaarlijke vloeistoffen. Ik neem nooit iets vloeibaars mee op reis, ook geen zalf, maar voor het eerst zie ik hoeveel mensen iets geurigs of geneeskrachtigs in een flesje of een potje bij zich hebben. Ik dacht aan een film, titel vergeten, waarin Yves Montand de held is. In een Mack-truck moet hij nitroglycerine naar een kolenmijn brengen, de ontplofbare vloeistof die je nodig hebt om dynamiet te maken. Montand redt het, maar de andere vrachtauto, geladen met hetzelfde explosief, vliegt in de lucht. Ik vind het dus heel verstandig dat de passagiers op vloeistoffen worden gecontroleerd.

In het postmoderne luchtverkeer tekenen zich drie ontwikkelingen af. De passagiers worden steeds grondiger onderzocht. Dat hebben we hierboven behandeld. Steeds meer mensen gaan vliegen, dat is twee. En ten slotte gaan er steeds meer mensen in een vliegtuig, met als extra dat er meer dikke tot zeer dikke passagiers zijn.

In The New Yorker van deze week staat een cartoon, getekend door Molvig, waarop het vliegtuig een sardienenblikje is dat met een sleutel die je voor zo’n blikje hebt, wordt geopend. De sardienen zijn juist aangekomen, versuft, met een laatste restje nieuwsgierigheid kijken ze naar buiten. Beter dan deze vergelijking is nog die met een oud slavenschip. Bekijk de indeling van zo’n schip, en je denkt aan een modern vliegtuig.

In de goeie ouwe tijd had je de Boeing 747 waarin wel veel mensen konden, maar als de machine voor driekwart vol was, mocht de maatschappij al van geluk spreken, en dan ging je vlug op drie of vier stoelen liggen en verkwikt kwam je aan de andere kant van de Oceaan.

Nu de Boeing 777. Stampvol. Je zit er net iets ruimer dan destijds in de baarmoeder. De gangen tussen de rijen stoelen zijn ook nauwer, een gezond wandelingetje is niet meer mogelijk. Ja, na zeven tot acht uur zo te hebben gezeten, voel je je als een sardientje. En daarna moet je door de overheid nog je foto laten maken en afdrukken van je twee wijsvingers afstaan. Kunnen we niet terug naar de tijd van de Dornier Do X en de Zeppelin?