Lange, diepe duik van walvis vergt een cooling down

Een aangespoelde dolfijn van Cuvier op een strand ten zuiden van Tokio, Japan. Omstanders proberen het dier te redden, uiteindelijk vergeefs. foto ap People pour seawater to the rare Cuvier's beaked whale which was found washed up on a beach in the town of Ninomiya 70 kilometers (43 miles) southwest of Tokyo Friday, Oct. 21, 2005. A passer-by found the 5.5-meter-long (18-feet-long) whale on a beach in Ninomiya, Friday morning. Several local officials joined to save the whale by covering it with a blanket to keep from drying up and sprinkling it with water, but it died several hours later, said Kanagawa prefectural spokeswoman Yoko Hayashi.(AP Photo/Kyodo News) ** JAPAN OUT, NO SALES, CREDIT MANDATORY ** Associated Press

Spitssnuitdolfijnen maken na lange duiken tot twee kilometer diep onder het wateroppervlak om op inktvissen te jagen een serie minder diepe duiken van slechts honderden meters om weer op adem te komen. Dat gedrag lijkt in een opzicht sterk op de cooling down door atleten na een topprestatie. De dieren raken tijdens die meer ontspannen activiteit stoffen kwijt die hun spieren anders zouden verzuren.

Dat blijkt uit onderzoek van een internationaal team van zeebiologen. Zij voorzagen twee soorten spitssnuitdolfijnen, de dolfijn van Cuvier (Ziphius cavirostris) en de spitssnuitdolfijn van Blainville (Mesoplodon densirostris) van een meetinstrument dat onder meer diepte en waterdruk registreerde. Een zender gaf de gegevens door zodra de dieren aan het oppervlak verschenen (The Journal of Experimental Biology, online 16 oktober).

Beide kleine walvissoorten duiken bij de jacht op voedsel het vaakst tot 800-1000 meter diep, maar soms bijna het dubbele – waarbij ze drie kwartier tot een uur onafgebroken zijn ondergedoken. Nadat ze weer kort zijn bovengekomen beginnen ze aan een langdurige cyclus van steeds minder diepe duiken tot duikjes, waarbij ze niet jagen. Dan herhaalt zich het hele proces, met een superafdaling als begin.

Al in een vroeg stadium klappen daarbij de longen in door de waterdruk. Dat lijkt geen ernstig bezwaar: hun capaciteit om zuurstof op te slaan kan bij deze betrekkelijk kleine walvissen sowieso niet voldoende zijn voor een langdurige topprestatie. De dieren schakelen over op anaërobe stofwisseling. Nadelige stoffen voor het functioneren van de spieren, zoals melkzuur, dreigen zich dan op te hopen.

Het heeft er alles van dat de dieren tijdens de ‘cooling down’-duikjes hun vermoeide spieren gedoseerd lichtjes belasten en weer ontspannen om ze weer snel in conditie te krijgen. Een béétje duiken is ook op een andere manier nuttig: zo blijven de dolfijnen hun belangrijkste belagers uit de weg: orka’s en mensenhaaien.

Het onderzoeksteam was niet zo maar nieuwsgierig. Recente massale strandingen van spitssnuitdolfijnen zijn in verband gebracht met het gebruik van een luide militaire sonar. Bij autopsies blijkt dat de dieren sporen vertonen van caisson-ziekte, door te snelle decompressie na een diepe duik. Juist alles in de fysiologie van de dieren is er op gericht dat te voorkomen, in combinatie met een kalme, geleidelijke terugkeer naar het wateroppervlak. Maar geschrokken naar boven zwemmen wordt hen fataal.

Frans van der Helm