Journalisten lachen om klachten

De Raad voor de Journalistiek heeft in zijn huidige vorm geen aanzien, vindt jurist Hans Mentink. Journalisten tegen wie een klacht is ingediend komen niet eens opdagen op een zitting. „Misschien moet de wetgever ingrijpen.”

Recensent Wim Doesborgh van Dagblad de Limburger was niet onder de indruk van de nieuwste plaat van zangeres Lenny Kuhr. Hij schreef over het album: „Pretentieuze teksten in een marinade van quasi-laconieke muziekjes – zo probeert Lenny ons met die super-melancholische stem al jaren haar manisch-depressieve wereld in te trekken.”

Kuhr vond dat de journalist met deze kwalificaties zijn boekje ver te buiten was gegaan. Ze diende een klacht in bij de Raad voor de Journalistiek. De klacht werd op 20 oktober jongstleden behandeld (uitspraak moet nog volgen) tijdens een zitting bij de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) in Amsterdam. De manager van Kuhr, tevens haar echtgenoot, had zich grondig voorbereid, maar de Raad was binnen een kwartier met hem klaar. Dagblad De Limburger was niet komen opdagen, en de commissie – bestaande uit een jurist, twee journalisten en twee leken – had maar weinig vragen voor de manager van de gekrenkte Kuhr.

„Dat is toch een aanfluiting?” Jurist Hans Mentink promoveerde afgelopen woensdag in Leiden op het proefschrift Veel raad en weinig baat. Een onderzoek naar nut en noodzaak van de Nederlandse Raad voor de Journalistiek. Dat gedaagden zomaar weg kunnen blijven van een zitting, is Mentink een doorn in het oog. „Als je dat bij een rechtszaak in je hoofd haalt, word je bij verstek veroordeeld.”

Zoals de titel van zijn dissertatie doet vermoeden, vindt Mentink dat er veel meer mis is met de Raad voor de Journalistiek, die geen bindende uitspraken kan doen of sancties kan opleggen, maar wel gedragsnormen voor journalisten aanlegt in zijn uitspraken. Mentink kwam op het idee om onderzoek te doen naar de Raad toen hij optrad als advocaat van Bram Peper in de zogeheten ‘bonnetjesaffaire’ in 2001 en 2002. „Tijdens een persconferentie in Nieuwspoort vroeg iemand of er nog stappen genomen zouden worden tegen journalisten die onjuist over Peper hadden bericht. Ik zei dat ik overwoog om naar de Raad voor de Journalistiek te stappen. Toen barstte de hele zaal in lachen uit. Dat vond ik opvallend respectloos.”

Niet op komen dagen bij zittingen, hoongelach als iemand bekendmaakt naar de Raad te stappen. Waarom heeft dit orgaan zo weinig gezag binnen de eigen beroepsgroep?

„Dat vind ik moeilijk te verklaren. Ik ben geen socioloog of psycholoog, maar jurist. Uit mijn onderzoek blijkt in ieder geval dat de raad vanaf zijn ontstaan een gebrek aan gezag heeft gehad. Dat is niet iets van de laatste jaren. Misschien komt het omdat de kwaliteit van de klachtenbehandeling zo gering is.”

Is het werk van de Raad inhoudelijk zo ver onder de maat?

„Ik vind van wel. Er worden bijvoorbeeld te veel klachten in behandeling genomen. Een groot deel daarvan wordt niet ontvankelijk verklaard. Maar daar wordt wel een volledige zitting voor opgetuigd. Dat is potsierlijk. Klachten waarvan je weet dat je ze niet inhoudelijk kunt of wilt behandelen, moet je seponeren. De Raad laat zich erop voorstaan dat hij steeds meer zaken in behandeling neemt. Dat is geen kunst als daar veel zaken tussen zitten waarover nooit een uitspraak wordt gedaan.”

U vindt dus dat de Raad voor de Journalistiek ook te veel niet-ontvankelijke klachten ter zitting behandelt?

„Formeel kan de Raad ook optreden als bemiddelaar tussen de partijen, maar die passage in de reglementen is een dode letter. Het komt altijd tot een zitting, terwijl de burger die de zaak aanbrengt wellicht meer gebaat is bij een bemiddelingspoging. Ter vergelijking: in Engeland worden jaarlijks 3.500 procedures gestart bij de Press Complaints Commission. Slechts bij dertig daarvan komt het tot een oordeel. Die uitspraken hebben dan wel gewicht.

„In de reguliere rechtspraak in Nederland wordt ook steeds meer gewerkt met bemiddeling. Tijdens een jaarvergadering waar ik was uitgenodigd, heb ik tegen de leden gezegd dat de Raad voor de Journalistiek lijkt op een rechtbank uit de vorige eeuw.”

Moeten we de Raad dan maar opheffen?

„Ik denk dat het goed is dat er een laagdrempelig orgaan bestaat waar de burger naartoe kan als hij vindt dat de pers zijn werk niet goed gedaan heeft. De stap naar de rechter is vrij kostbaar, die kan niet iedereen zich veroorloven. Maar er moet iets verbeteren aan het functioneren van de Raad. Zolang er niets verandert, kan de Raad voor de Journalistiek net zo goed worden afgeschaft.”

Wat moet er als eerste gebeuren?

„Er moet een journalistieke gedragscode komen. Nederland is het enige land in de EU zonder zo’n code. Dat is ongehoord. Pas als er een gedragscode is, wordt het voor buitenstaanders duidelijk op welke criteria de Raad zijn besluiten baseert. Verder is het belangrijk dat journalisten een verschijningsplicht krijgen.”

Denkt u dat de Raad uw aanbeveling gaat overnemen?

„Ik heb in totaal tien suggesties voor verbeteringen gedaan. In een reactie hierop liet de voorzitter van de Raad weten dat hij het met het merendeel oneens was. Toch moet er iets gebeuren om het gezag van de Raad voor de Journalistiek te versterken. Daarom denk ik dat het een goede zaak is als de politiek zich hier voorzichtig mee ging bemoeien.

„We hebben in dit land vrijheid van meningsuiting, dus bestuurders mogen journalisten niet gaan vertellen hoe ze hun werk moeten doen. Wat wel kan, is dat er geëist wordt dat de beroepsgroep een gedragscode ontwikkelt en de procedures verbetert. Gebeurt dat niet vanzelf, dan kan dat met een wet worden afgedwongen. In Groot-Brittannië, Duitsland en Vlaanderen ging de journalistiek ook pas aan de slag nadat de wetgever met ingrijpen had gedreigd. In die landen functioneert het systeem nu goed.”