‘Ik wil een poes met één oog of drie poten’

Marianne Thieme, lijsttrekker van de Partij voor de Dieren, liet met pijn in het hart haar poes en kat ‘verminken’.

„Hij is dan wel gecastreerd en zij gesteriliseerd, maar af en toe zie ik ze vrijen met elkaar.”

Als ‘advocaat van de dieren’ moet Marianne Thieme (34), lijsttrekker van de Partij voor de Dieren, ook in haar privéleven principiële knopen doorhakken. Zo besloot ze vegetariër te worden omdat ze het niet te rijmen vindt met haar werk als ze haar „cliënten zou opeten”, schrijft ze in haar boek De eeuw van het dier. Ze gaat met haar dochtertje niet naar een circus met tijgers en olifanten, zegt ze, want „wilde dieren zijn er niet voor ons mensen om door een hoepeltje te springen of op een krukje te staan”. Een andere gewetenskwestie is de keuze voor een huisdier.

„Zolang er tienduizenden dieren in het asiel zitten, kan ik het niet over mijn hart verkrijgen naar een broodfokker te gaan. Mensen die een nestje katten willen, probeer ik te ontmoedigen door te zeggen dat er zoveel dieren in het asiel zijn. Als ik kies voor een huisdier, voel ik een morele verantwoordelijkheid er een te nemen die aan zijn lot is overgelaten.”

En zo zijn eerst Bram en daarna Jopie in haar leven gekomen. Het verhaal van Bram, voor zover bekend, begint op de dag dat hij in Utrecht door een vriendin van Thieme „van de straat is geplukt” waar hij „al een tijd zielig zat te miauwen onder een auto”. Toen niemand hem claimde en de vriendin geen plaats voor hem bleek te hebben, nam Thieme hem mee naar haar woning in Rotterdam. Dat was in 1999. Inmiddels is Bram meeverhuisd naar Maarssen waar hij zijn bestaan als zwerfkat ver achter zich heeft gelaten. Als een welgedane pater familias staat hij in de deuropening om het bezoek hartelijk te begroeten waarna hij zich gedecideerd op de nieuwe schoot installeert.

Zo niet Jopie. Jopie – vernoemd naar het romanpersonage Joop ter Heul van Cissy van Marxveldt – heeft het niet begrepen op vreemde schoten. Zij prefereert een kast op zolder als de voordeurbel de indringer aankondigt. Jopie, die zich consequent onzichtbaar houdt totdat ze op verzoek naar beneden wordt gehaald, vertoont zich pas als ze het rijk alleen heeft met haar baasje van wier schoot ze ongestoord wil genieten. Desnoods samen met Bram.

„In Rotterdam kon ik Bram moeilijker buiten laten dan hier. Ik vond het zo stil in huis voor hem. Het is een sociaal dier en ik dacht dat hij behoefte zou hebben aan een maatje, daarom ben ik op zoek gegaan naar een andere kat uit het asiel. Als ik daar weleens kom voor de Partij voor de Dieren, vraag ik altijd naar de minst populaire kat, eentje met één oog of drie poten: die zou ik dan zo graag willen hebben. Ik zou ook zeker voor de oudste en lelijkste hebben gekozen als Bram er niet al was geweest; voor hem was het beter als ik een jong poesje nam. Dat was Jopie.

Ze was pas elf weken oud. Ze kwam van een man die niet meer voor zichzelf kon zorgen. Hij had heel veel katten omdat hij ze had laten doorfokken. Ze is niet goed gesocialiseerd en dat is nog steeds te merken. Ze is heel schichtig, maar misschien komt dat ook doordat ze grijs is. Grijze katten schijnen wat schuwer te zijn dan andere. Jopie wil ook nooit naar buiten, Bram wel, die schooit hier in de buurt en dan mauwt hij of hij al dagen niet gegeten heeft.

„Zij is slimmer dan hij, ze laat zich niet zomaar om de tuin leiden. Als ik bijvoorbeeld wil dat Bram binnenkomt, tik ik op een etensblikje. Hij komt altijd, of het nu leeg is of vol, maar zij kent het verschil. Zij weet: ‘ik hoef niet naar beneden, ik heb al gehad en ik krijg vast niet nog meer’.

„Hij lijkt een beetje op een hond. Hij wil altijd meelopen als ik naar de winkel ga en dan moet ik hem terugfluiten want hij mag niet helemaal mee. Het is heel raar: met wat voor auto ik hier ook aankom, al rijd ik mee met een ander, hij weet altijd dat ik het ben. Hij rent dan van verre op me af en miauwt met luide stem.

„Samen zijn ze heel lief, ze liggen bij elkaar in een mandje. Het zijn echt man en vrouw heb ik het idee. Hij is dan wel gecastreerd en zij gesteriliseerd, maar af en toe zie ik ze vrijen met elkaar.”

Het was een moeilijke afweging of ze haar katten zou laten castreren en steriliseren, bekent Thieme: moest ze hen laten „verminken” en „een deel van hun eigenheid” afnemen, of niet ingrijpen en toezien hoe de kattenoverbevolking zich verder zou uitbreiden? „In het belang van de soort als geheel” koos ze voor het eerste, maar, zegt ze, „als er geen overpopulatie was, zou ik Bram niet hebben laten castreren, hoewel er ook mensen zijn die het doen om een bepaald onwenselijk gedrag uit te bannen. Bij Jopie heb ik niet de baarmoeder eruit laten halen wat artsen vaak doen, maar ik heb de eileiders laten doorknippen, een heel precies werkje. Nu blijft de hormoonhuishouding beter in stand, al worden ze na zo’n ingreep toch een beetje anders.”

Dierenwelzijn en de ethische dilemma’s die zich daarbij voor kunnen doen, hielden Thieme al bezig tijdens haar studie Nederlands recht in Rotterdam. Toen ze ontdekte dat de rechten van dieren niet vastgelegd waren, begon ze met anderen na te denken over de vraag „hoe je in een wet zou kunnen verankeren dat ze recht hebben op natuurlijk gedrag en beschermd moeten zijn tegen mishandeling en nalatigheid”.

Aanvankelijk was ze enkele jaren actief voor Bont voor Dieren, een organisatie die zich inzet voor pelsdieren, waarna ze directeur werd van stichting Wakker Dier die streeft naar afschaffing van de bio-industrie. De behoefte in breder verband op te komen „voor de meest kwetsbaren in de samenleving, de stemloze dieren” leidde met hulp van een aantal andere dierenbeschermers in 2002 tot de oprichting van de Partij voor de Dieren. Marianne Thieme profileerde zich al gauw als de strijdbare voorzitter van de partij die tijdens de Tweede Kamerverkiezingen in 2003 en de Europese verkiezingen een jaar later weliswaar net geen zetel haalde, maar naar haar stellige overtuiging bij de verkiezingen op 22 november wel voldoende stemmen zal trekken om in het parlement te komen.

„De Partij voor de Dieren heeft een aanjaagfunctie. Voor andere politieke partijen is dierenrechten nog altijd een bijgerecht, wij zijn blij als ze het onderwerp waar wij voor staan gaan overnemen en misschien zal onze partij dan overbodig worden. Maar voorlopig is er nog weinig bereikt. Nederland is bepaald niet het beste jongetje van de klas, vergeleken met andere Europese landen lopen we zelfs achter. Wij castreren beesten nog zonder verdoving, de handel in exoten is hier naast drugs de voornaamste illegale inkomstenbron, we fokken 3,5 miljoen nertsen voor bont waarvan 95 procent bestemd is voor de nieuwe rijken in China en Rusland en als het gaat om de bio-industrie zijn wij een van de grootste producenten in de wereld.

Sinds onze voorouders is er weinig vooruitgang. We zijn erin geslaagd het meest geperfectioneerde vernietigingssysteem te bedenken tegen minimale kosten; nog nooit in de geschiedenis zijn er zoveel dieren als tomaten doorgehaald.

„De dieren rechten geven vind ik de laatste emancipatiegolf, vergelijkbaar met de slavenbevrijding en de vrouwenrechtenbeweging. De filosoof Peter Singer zegt dat we wegens ons mens-zijn een morele plicht hebben op te komen voor de niet-menselijke wezens. Dat ben ik met hem eens, maar ik bekijk ze niet alleen afstandelijk zoals hij. Ik houd van dieren omdat ik ze zo ontwapenend vind. Ik geloof dat er een gelijkwaardige relatie tussen mens en dier kan zijn, een binding die niet alleen te verklaren valt uit het feit dat je het eten geeft. Als je je kat zelf zijn voedsel zou laten zoeken, zou hij minder aanhankelijk zijn, maar ik denk dat hij wel bij je blijft.

„Laatst zat ik in het tv-programma Rondom 10 en daar ging het over doorgeslagen dierenliefde van mensen. De teneur was dat het dieren helemaal niet interesseert wat mensen van ze vinden. Toevallig heb ik onlangs van een etholoog een onderzoek gekregen over de vraag of dieren liefde voor mensen kunnen voelen. Het blijkt dat er met name bij huisdieren, die al honderden jaren bij ons zijn, sprake is van affectie voor hun baas en dat ze een soort van verlies kunnen voelen als een mens wegvalt. Dat valt af te leiden uit het aanmaken van bepaalde hormonen die een gelukzalig gevoel geven of juist niet.

„Het mooie van dieren is dat ze er altijd voor je zijn. De katten ook: al heb ik nog zo’n rothumeur, zij blijven stabiel. Ze hebben een soort tijdloosheid die je leert belangrijke zaken waar wij ons druk om maken te relativeren. Doordat veel mensen niet voorbij onze hun belangen kunnen kijken, hebben ze niet in de gaten dat ze aan de tak zagen waar zij met z’n allen opzitten. Wij maken de samenleving onaangenamer, zwaarder. Dieren zijn bezig met het leven zelf, zij laten zien dat het ook veel eenvoudiger kan. We moeten net als zij back to basics.”