Idealistisch, maar niet de hele dag

In de achterban van GroenLinks jagen pragmatische idealisten de kritische actievoerders weg. „Bij de SP zie ik dat activisme nog wel.”

Op de vloer van Club 11 in Amsterdam wordt gedanst. De Iraanse skaband 127 treedt op, en rapper Raymzter. Het publiek – jong, trendy kleren – komt binnen op een loper van gras. Cabaretière Sara Kroos zingt een ode aan Femke Halsema, voordat ze „aan het infuus met wiet gaat”. „Zij is de lente, de linkse lente/ Zij is die wervelwind van links/ Tegen alle grijze duiven in/ Zingt zij haar eigen wijs.”

Dit is het GroenLinks waar Femke Halsema zich thuis voelt. De partij organiseerde in september de Linkse Lente Lounge in Amsterdam. Het festival is het antwoord op de „barre, rechtse winter” van de afgelopen vier jaar. Er hangen posters van een meisje met rood haar en blote voeten dat de lucht in springt. Halsema zegt in een toespraakje dat ze van Amsterdam houdt, „de stad van de gay pride, de stad die de vrije geest van de jaren ’70 nog uitdraagt”.

Maar er is ook een ander GroenLinks. Dat is de partij waar leden en afdelingen meer dan driehonderd amendementen indienden op het partijcongres in Zwolle, begin oktober. Daar, in Buitensociëteit Zwolle, discussieerden leden twee dagen lang over milieubeleid, of over veranderingen in het ontslagrecht. Is het links om dat recht te versoepelen om mensen zonder werk meer kansen te bieden? Of is het links om de baan van werkende mensen te beschermen?

GroenLinks is een partij met twee gezichten. Het verenigde als fusiepartij in 1989 – het jaar waarin vier linkse partijen (CPN, PSP, PPR en EVP) onder deze naam op één lijst meededen aan de Tweede-Kamerverkiezingen – dogmatische communisten, pacifisten, progressief-socialisten en evangelische christenen. De partij ontwikkelde zich in de jaren erop onder de Rotterdamse stakingsleider Paul Rosenmöller tot een invloedrijke oppositiepartij. Rosenmöller, met een volgens sommigen aangeleerd plat Rotterdams accent, had het over arbeiders en hun bazen. Op het hoogtepunt van het bestaan van de partij leverde dat elf Kamerzetels op.

Hybride auto

De laatste paar jaar, onder leiding van de Amsterdamse Femke Halsema, is de partij een andere koers ingeslagen. Ze noemt die koers „vrijzinnig-links”, waarmee zij op het niet-dogmatische gedachtegoed van de jaren zeventig doelt. Ze praat liever niet meer over „links-liberaal”, zoals ze een keer deed. Dat lijkt te veel op D66 of de linkervleugel van de VVD. In een artistiek vormgegeven verkiezingsclipje rijdt een lachende Halsema rond in een hybride auto met een open dak. Vrolijke mensen springen erin en houden borden omhoog. ‘Balkenende-4, ik heb er de kracht niet meer voor’, ‘Vrouwen on top!’, ‘Hoe zit ’t met jouw groene hart?’.

Halsema weet dat een andere koers haar partij een nieuwe aanhang oplevert. GroenLinks brengt sinds een paar jaar met het onderzoeksbureau Motivaction in kaart in welke sociale milieus de partij aanhang heeft. GroenLinks wás altijd populair onder ‘postmaterialisten’, maatschappijkritische idealisten. Nu bestaat de aanhang grotendeels uit ‘kosmopolieten’ en ‘postmoderne hedonisten’ – hoger opgeleiden in de steden die principes wat minder belangrijk vinden en vooral willen ‘beleven’. „Pragmatische idealisten”, noemt Femke Halsema ze. Mensen met idealen, maar niet de hele dag daarmee bezig. Dat is wellicht een kleinere aanhang. In peilingen behaalt de partij, die nu acht Kamerzetels heeft, maximaal hetzelfde aantal. De meeste peilingen wijzen op een klein verlies. En dat terwijl die andere linkse partij, de SP, op een recordwinst staat.

Leden van het eerste uur lopen weg, dreigen dat te doen, of mopperen langs de zijlijn. Voorzitter Cor Ofman van het christelijk platform van GroenLinks, de Linker Wang, noemde zijn partij onlangs „een grachtengordelpartij”, die steeds meer op D66 is gaan lijken. Dat was geen compliment. Het individualisme van Halsema staat volgens hem haaks op het op solidariteit gebaseerde gedachtegoed van GroenLinks. De partij kan leren van de SP, vindt hij.

Tijdens het congres in Zwolle is GroenLinks Nöel Vergunst (36) kwijtgeraakt. Hij stemt al op GroenLinks sinds 1989 en hij is in Nijmegen actief lid van de partij. Een tijdje was hij ook voorzitter van de plaatselijke afdeling. Vergunst stemde op het congres tegen het verkiezingsprogramma. De veelbesproken passage over het ontslagrecht gaf de doorslag. Het partijbestuur wil dat bedrijven gemakkelijker mensen kan ontslaan. Dat zou de arbeidsmarkt flexibeler maken. In het verkiezingsprogramma staat ook dat mensen die werkloos zijn, een jaar de tijd krijgen om zelf werk te zoeken of een bedrijf te starten. Dit houdt impliciet een verkorting van de WW-uitkering in, tot één in plaats van drie jaar. Vergunst overweegt daarom dit jaar voor het eerst op een andere partij te stemmen. „Het alternatief zou de SP zijn.”

En neem Joris Wijnhoven (35). Hij is woordvoerder van Milieudefensie en lid van GroenLinks „vanaf het begin”. Maar dit jaar speelt hij met de gedachte om, net als Noël Vergunst, op de SP te stemmen. Hij is op 1 oktober niet naar het partijcongres geweest in Zwolle, „want ik wilde niet de cynicus uithangen”. GroenLinks is, zegt hij, haar „activistische mentaliteit” kwijtgeraakt. „Dat activisme zie ik bij de SP wel, en dat spreekt me buitengewoon aan.”

In oktober 2005 schreef Femke Halsema, toen twee jaar partijleider, dat de partij moest veranderen. Ze deed het in het boek Vrijheid als ideaal, waarin ze kritiek uitte op het „toenemende staatspaternalisme”, dat „vooral voor GroenLinks problematisch” is. Halsema: „De partij heeft in de afgelopen jaren nagelaten een nieuwe stap in haar emancipatiestrijd te zetten: het ontwikkelen van een soevereine opvatting over sociaal-economische vrijheid.” Halsema, nu: „Ik wilde de misvatting bestrijden dat ‘links’ staat voor gelijkheid en behoudzucht. Gelijkheid is een middel om het doel, maximale vrijheid, te bereiken.”

In het boek komen ook niet-partijleden aan het woord. Socioloog Dick Pels bijvoorbeeld, die een trendbreuk ziet sinds Halsema partijleider is. Paul Rosenmöller legde nog de nadruk op sociale misstanden en was volgens Pels tegen „een eenzijdige oriëntatie op het autonome individu”. Halsema gaat juist de andere kant op. Zij zoekt meer naar een individualistisch gedachtegoed van de partij. Halsema vaart daarmee „een sociaal-individualistische koers”, tegengesteld aan die van Rosenmöller. Prominent GroenLinkser Maarten van Poelgeest: „Paul Rosenmöller ging een beetje de CDA-kant uit. Hij legde de nadruk op de plek van burgers in de maatschappij.”

Een maand later volgde een manifest, dat Halsema schreef met Tweede-Kamerlid Ineke van Gent. Zij schreven in Vrijheid eerlijk delen dat de verzorgingsstaat „krachteloos” is geworden, „verouderd” en „weinig sociaal”. Mensen zonder baan zaten gevangen in passiviteit. Participatie moest de norm worden. Halsema en Van Gent hekelden „rechtse taboes” als de hypotheekrenteaftrek, maar ze schreven ook dat de WW en het ontslagrecht „participatie en emancipatie belemmeren”.

Volgens Van Gent leidde het manifest tot woede in de achterban, maar niet tot massale opzeggingen van leden. „We kregen wel wat boze mails van opstappers, maar dat waren er slechts tientallen, geen honderden. Uiteindelijk kwamen er meer mensen bij dan er weg gingen. Er kwamen juist ook mensen bij die het in de huidige verzorgingsstaat moeilijk hebben en te weinig kansen krijgen. Dat doet mij goed, want juist ook voor die mensen komen wij op.”

Linkse taboes

Iemand anders die onrust veroorzaakt onder leden van GroenLinks is Bart Snels. Hij is de belangrijkste ideoloog van GroenLinks, directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, secretaris van de programmacommissie en vertrouweling van Femke Halsema. Een jaar vóór het manifest van Halsema schreef Snels in deze krant: „Het minimumloon, inclusief belastingen en premies, is gewoon te hoog.” En hij stelde het ontslagrecht ter discussie. De kop loog er ook niet om: „Kansarmen zijn de dupe van linkse en rechtse taboes.” De econoom Bart Snels werkte onder VVD’er Gerrit Zalm op het ministerie van Financiën en is beïnvloed door de Frans/Amerikaanse econoom Olivier Blanchard. Die vindt dat de arbeidsmarkt flexibel moet zijn om productief te blijven. Daarom is meer concurrentie ook goed. Snels: „Hij zei eens: in Europese landen zijn vooral de rechten van de werkende mensen goed geregeld. Kijk maar naar de invoering van de flexwet in Nederland: die beschermt mensen met een vast contract. Maar die bescherming werkt nadelig voor mensen die geen vast werk hebben.”

Snels hoort vaak dat hij ‘een neoliberaal’ is en dat hij wil dat GroenLinks langzaam die kant op gaat. „Dat is onzin. Ik denk niet vanuit de belangen van de bedrijven, maar vanuit die van de mensen die werk nodig hebben. Dat is het verschil met de VVD.” Snels vindt het noodzakelijk dat „GroenLinks niet stil gaat staan”. Tijdens de Paarse kabinetten, tussen 1994 en 2002, was GroenLinks dé oppositiepartij, zegt hij. De SP was klein, het CDA kwam niet in de oppositierol. „We konden makkelijker deals sluiten met PvdA en D66 en we hadden sneller politiek succes. Nu zijn we minder in beeld. Links heeft de wind tegen. PvdA en SP reageren behoudzuchtig.”

Uit een onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) blijkt hoe radicaal de GroenLinks-achterban veranderd is. Die verandering is al onder Paul Rosenmöller ingezet. Onderzoeker Paul Lucardie vroeg in 1992 en in 2002 hoe leden dachten over thema’s als milieu, de NAVO, arm en rijk. Zijn conclusie: GroenLinks „hoeft zich nog niet GroenRechts te noemen”, maar is duidelijk „naar het politieke midden opgeschoven”. Zo vond in 1992 nog 62 procent dat werknemers de baas moesten worden in bedrijven. Tien jaar later vond nog maar 27 procent dat. Bijna driekwart wilde in 1992 dat het autogebruik duurder zou worden, in 2002 was het net de helft. En Nederland mag in 2002 van 78 procent van de leden gewoon in de NAVO blijven, tegen 37 procent in 1992. Lucardie: „De proletarische achterban van CPN- en PSP-huize, die in het begin een belangrijke stroming was, is grotendeels weg. Voor het grootste gedeelte zijn die naar de SP gegaan. De gegoede middenklasse is gebleven.” Nog geen 40 procent van de huidige leden is vroeger lid geweest van een van de voorgangers van GroenLinks.

Wat blijft er over? De instroom van nieuw electoraat lijkt het aantal weglopers niet te kunnen compenseren. Halsema, zittend in de campagnebus: „Er is een groot kiezerspotentieel op drift geraakt. Veel lager opgeleiden die vooral op zoek zijn naar zekerheid, weten niet wat ze nu moeten stemmen. De PvdA en de SP proberen die mensen te bereiken, en zeker die laatste partij heeft haar standpunten behoorlijk aangepast.”

GroenLinks, zegt Halsema, doet dat niet. „Je moet ook durven zeggen: de verzorgingsstaat is niet ambitieus genoeg. Natuurlijk kregen we ruzie met de vakbeweging, maar ik ben ervan overtuigd dat het juist progressief is om niet alleen voor de mensen te zorgen die al een baan hebben. Wij hebben bewust de keuze gemaakt voor een ander geluid. Ik wil dat we breken met het idee dat links voor behoud van verworven rechten staat. Ik verwijs steeds, juist vanwege dat nieuwe conservatisme, bewust naar de geest van de jaren zeventig. Dat was een periode waarin mensen verder dachten dan hun verworven rechten, en Nederland in al zijn gekte bloeide.”

Toch hebben Snels of Halsema niet zelf de basis gelegd voor de vernieuwing van GroenLinks. De kiemen daarvan zijn te vinden in een actief groepje jongeren tijdens de oprichtingsjaren, 1989 en 1990. Een partijcultuur was er nog niet, een gezamenlijke ideologie evenmin. Het hoofdbestuur vroeg een paar jonge partijprominenten, zoals de bestuursleden Joost Lagendijk (nu Europarlementariër) en Maarten van Poelgeest (nu wethouder in Amsterdam), een startmanifest te schrijven, Het begin van de toekomst.

De jongeren vonden dat GroenLinks moest breken met alle grote politieke denkrichtingen in Nederland. De sociaal-democratie, de christen-democratie en het liberalisme meenden het wel goed, maar bleken niet in staat de ongelijkheid in de samenleving weg te nemen. Het communisme was een jaar eerder ingestort. „Het ontstaan van GroenLinks is een moment van bevrijding: ‘Sterft gij oude vormen en gedachten’.”

Van Poelgeest zegt dat leden woedend waren. Het stuk mocht op het congres niet eens in stemming gebracht worden. De oud-studentenleider was ooit lid van de jongerenbeweging van de CPN, later werd hij lid van de PSP. Maar met de dogmatische discussies in de studentenbeweging wilde hij niets meer te maken hebben. „Het ging er daar over of je je studie moest opgeven om het proletariaat te helpen, over de poel van ellende die het land was geworden, dat soort marxistische discussies. Ik hoopte op een bevrijding toen ik GroenLinks binnenstapte.” Van Poelgeest was dan ook onaangenaam verrast dat in de jonge partij „dezelfde types weer rondliepen”. Nu zijn de klassieke linkse mensen voor het grootste gedeelte weg.

Joris Wijnhoven is er nog wel. Hij maakt deel uit van „een soort informeel netwerk” van GroenLinks-leden die kritisch zijn over de koers: activisten uit de krakerswereld, de milieubeweging en het links radicale actiewezen. „In het verkiezingsprogramma staat niet echt iets verkeerds over het milieu, maar de toon is veranderd, verzacht. Femke Halsema en Tweede-Kamerlid Wijnand Duyvendak hebben een boekje uitgebracht, Ekonomie, en dat staat bol van de optimistische voorbeelden: groene auto’s, biologische landbouw, groene stroom. Je houdt kiezers voor de mal als je zegt dat we er wel komen met wat kleine veranderingen, zoals spaarlampen en hybride auto’s. Dat is precies wat Balkenende ook heeft geroepen.” Het probleem van GroenLinks is volgens Wijnhoven dat de beslissingen worden genomen door mensen „die het met elkaar eens zijn. Dat vind ik ongezond”.

Utrecht, vorige week donderdag. Een hoosbui breekt los boven het universiteitscomplex. Parasolletjes met het logo van GroenLinks waaien om, de meeste vrijwilligers vluchten de campagnebus in. Femke Halsema gaat ook in de bus zitten, waarmee ze met een groep kandidaat-Kamerleden en vrijwilligers een ronde door Nederland maakt. Ze drinkt iets warms en pakt de Volkskrant. „Kijk”, zegt ze. Vijftien rijke, bekende Nederlanders – onder wie Jan Mulder en Harry de Winter – hebben, op initiatief van GroenLinks, een manifest ondertekend waarin zij zeggen dat ze graag geld willen inleveren. „Ze zijn bereid de kinderbijslag in te leveren en een deel van de hypotheekrenteaftrek, als daar tegenover staat dat armere mensen of starters ervan profiteren.” Diezelfde dag adverteert GroenLinks in het zakenblad Quote 500: ‘Heeft u het vermogen om GroenLinks te stemmen?’