Homo’s en sport: nog steeds taboe

De helft van de sportende homoseksuelen durft niet voor zijn of haar geaardheid uit te komen, blijkt uit SCP-onderzoek. „Die transfer kan ik dan wel vergeten.”

Medio juli 2002. Edwin Zoetebier, voormalig keeper van Feyenoord, loopt het veld op voor de eerste training van het nieuwe seizoen. Even daarvoor heeft hij het gloednieuwe keepersshirt van kledingsponsor Kappa aangetrokken. Zelf vindt hij het tricot ‘niet onaardig’, maar de supporters langs de zijlijn denken daar anders over: „Wat draagt-ie nou? Hij lijkt wel een míetje!”

In de daaropvolgende dagen ontvangt Feyenoord enkele honderden e-mails van woedende supporters. Hoe de clubleiding het in zijn hoofd haalt om ‘hun’ doelman in het roze te steken. Over de seksuele geaardheid van Zoetebier mag dan geen misverstand bestaan, met zo’n shirt wordt hij het mikpunt van pesterijen. ‘Een schande voor Feyenoord’, is de teneur. De klagers eisen een nieuwe (lees: mannelijke) uitrusting. Na overleg met de kledingsponsor en de doelman besluit Feyenoord het shirt in de ban te doen.

Incidenten als deze verklaren de uitkomst van Gewoon Doen, een onlangs verschenen onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) onder homoseksuelen, waarin ruim aandacht aan sport wordt besteed. Uit het rapport blijkt dat de helft van de naar schatting 600.000 sportende homo’s en lesbiennes zijn of haar seksuele geaardheid geheimhoudt voor medesporters. Met name homo’s gaan team- en contactsporten vaak uit de weg en mijden sportverenigingen.

Homoseksualiteit in de sport is volgens belangenvereniging COC nog altijd een taboe in Nederland. „Vooral in de topsport is het percentage openlijke homoseksuelen miniem”, stelt voorzitter Frank van Dalen. Hij kent een aantal homoseksuele topsporters die „niet moeilijk doen” over hun seksuele voorkeur, maar het merendeel doet er volgens hem het zwijgen toe. „Velen zijn bang dat zij na hun coming-out niet meer als volwaardig lid van hun team worden beschouwd. Of dat zij hun club belasten als de media er lucht van krijgen. En laatst sprak ik een topsportster die bang was dat haar marktwaarde zou dalen als duidelijk wordt dat zij van de vrouwenliefde is.”

Toch hebben lesbische vrouwen het in de sport doorgaans makkelijker dan homoseksuele mannen. In Gewoon Doen wordt het voorbeeld gegeven van de hockeywereld, waar ‘mietje’, ‘nicht’ en ‘flikker’ veelgebruikte scheldwoorden zijn voor wie ondermaats presteert op het veld. Voor een deel van de geïnterviewde hockeyers bederft dat het spelplezier. Hockeysters daarentegen voelen zich juist gevleid door de manier waarop sport en seksuele voorkeur met elkaar in verband worden gebracht. „Lesbo’s heten stoer, mannetjesputters, dus sportief”, schrijven de onderzoekers. „Daar komt bij dat zij zich kunnen spiegelen aan rolmodellen: sport is een van de weinige sectoren waarin lesbo’s prominenter aanwezig zijn dan homo’s.”

Jacqueline Toxopeus (41) kan zich wel vinden in de uitkomsten van het onderzoek. Volgens de oud-hockeykeepster is homoseksualiteit onder hockeysters „een redelijk geaccepteerd verschijnsel”.

homo’s ‘Voetbalwereld is conservatief bolwerk’

Zelf maakte Toxopeus er tegenover haar ploeggenoten nooit een geheim van dat zij op seksegenoten valt. „Want geheimzinnigheid leidt tot speculaties en achterklap.” De daaruit voortvloeiende angst voor buitensluiting maakt volgens Toxopeus veel negatieve energie los. „En dat komt je prestaties op het veld niet ten goede.”

Ook schaatsster Frouke Oonk (30) ondervond weinig problemen toen bekend werd dat zij een relatie onderhoudt met olympisch schaatskampioene Christine Witty. „Maar ik heb er wel lang over getwijfeld of ik het naar buiten moest brengen. Een meisje uit mijn ploeg was openlijk lesbisch, en dat leidde aan tafel tot plagerige opmerkingen. Niets ernstigs, maar ik voelde mij er wel ongemakkelijk bij.” En dus zat er maar een ding op: uit de kast komen. „Niet dat ik mijn geaardheid nu aan de grote klok hang. Maar als mensen ernaar vragen, geef ik eerlijk antwoord.”

In het voetbal is dat aanzienlijk minder eenvoudig. De recent overleden homoseksuele ex-scheidsrechter John Blankenstein kende naar eigen zeggen een paar homoseksuele profvoetballers. Maar zij piekerden er niet over voor hun seksuele geaardheid uit te komen. „Voetbal is onze nationale sport”, zegt Van Dalen. „De financiële belangen zijn groot. Kleine zaken hebben een enorme impact.”

Toch zat de COC-voorzitter vorige week met enkele vertegenwoordigers van de KNVB rond de tafel. Het COC heeft onlangs de John Blankenstein Foundation opgericht in een poging homoseksualiteit bespreekbaar te maken in de sport. Het gesprek met de voetbalbond vormde daartoe een eerste aanzet. Van Dalen: „De KNVB ontplooit tal van initiatieven om de deelname van vrouwen en allochtonen te vergroten. Maar voetballende homo’s en lesbiennes worden vooralsnog buiten beschouwing gelaten. Daar hebben wij de bond in een oriënterend gesprek op gewezen.”

In het buitenland is de bereidwilligheid groter. Zo heeft de Engelse voetbalbond bepaald dat supporters na spreekkoren met voor homo’s kwetsende leuzen een stadionverbod kan worden opgelegd. In Frankrijk worden sportbonden die geen homovriendelijk beleid voeren sinds vorige week ‘bestraft’ met een rode kaart.

Van Dalen zou graag zien dat dergelijke initiatieven in Nederland navolging krijgen. Maar hij realiseert zich hoe groot de weerstand is. „De voetbalwereld is een oerconservatief bolwerk. Dit proces vereist een lange adem.”