Het arme dorp van Van Gogh en Ivens

Op reis door Europa zoekt Hans Beerekamp naar de gemeenschappelijke, culturele waarden die ten grondslag liggen aan de westerse beschaving. Deze week: Van Gogh.

Toen Joris Ivens in 1933 samen met Henri Storck naar de Borinage trok om er de mijnstakingen te filmen, trad hij in de voetsporen van Vincent van Gogh.

Die huurde van januari tot augustus 1879 als hulpzendeling en lekenprediker een kamer in een pension boven een bakkerswinkel in Wasmes. De bakkersvrouw vertelde later dat de jongeman elke nacht in zijn bed lag te wenen om het wrede lot van de mens. Na verloop van tijd liep Vincent terug naar Brussel, zo’n zestig kilometer, om daar zijn geluk als schilder te beproeven.

Op de begraafplaats van Brussel-Elsene ligt de schilderes Anna Boch (1848-1936) die in 1890 als enige een werk, Les vignes rouges, van Van Gogh tijdens zijn leven zou kopen. Dat is nog altijd een overtuigende waarschuwing tegen de overschatting van marktwerking in de kunsten.

Ivens en Storck bezagen een halve eeuw later de ellende in de Borinage vooral vanuit revolutionair perspectief, al waren er wel aanwijzingen dat de Boreinen, zoals de bewoners van de Henegouwse mijnstreek heten, te koppig waren om zich degelijk te organiseren. Alleen in Wasmes had de communistische partij veel aanhang. De tvijftigste sterfdag van Karl Marx was er in maart 1933 met een optocht herdacht: een half jaar later ‘reconstrueerde’ Ivens die gebeurtenis ter plaatse, zoals wel vaker in documentaires zou gebeuren.

Nu is er in Wasmes weinig terug te vinden van Van Gogh of van Ivens. Om te beginnen is Wasmes opgegaan in een groter geheel dat Colfontaine heet; je ziet zelfs geen plaatsnaambord meer. De meeste mijnen zijn in de jaren vijftig definitief gesloten, de slakkenbergen of ‘terrils’ zo dicht begroeid dat het wel gewone heuvels lijken. De bevolking heeft al zo lang geen werk dat men koppig noch revolutionair meer is, maar vooral murw. De mannen drinken bier op straat en maken ’s avonds ruzie om niets. Overal slingeren lege bier- en colablikjes.

In het gemeentehuis van Colfontaine staat een borstbeeld van Vincent en een verwijzing dat de straat van de bakkerswinkel nu Rue Wilson heet. Daar is niet veel te zien, een steile straat omhoog, die vertrekt van een garage Adamo. Er omheen staan cités, blokkendozen van kleine, goedkope nieuwbouwwoningen.

Er is een paar jaar geleden een nieuwe documentaire gemaakt over de kinderen van de Borinage, zestig jaar later. Die zijn nog steeds straatarm en dus zou er weinig veranderd zijn. De eigenares van het Chinese restaurant in een straat waar aan de ene kant een gokpaleis en aan de andere kant een begrafenisonderneming in neon adverteert (een gestileerde paarse zeshoek in de vorm van een lijkkist), bevestigt dat de werkloosheidsuitkering in de buurt de voornaamste bron van inkomen vormt.

Er is wel werk, in Brussel, maar dat vinden de mensen te ver weg. Ze poseert voor onze camera naast haar eigen boeddhabeeld.

De volgende ochtend wordt er op het ruitje van de bus getikt. De vriendelijke Chinese mevrouw komt ons uitzwaaien en vragen of we de foto zouden willen wissen. Haar kinderen vonden het geen goed idee als ze met haar foto en verhalen op het internet zou belanden.

Ook deze geschiedenis is dus onzichtbaar gemaakt.