Gebroken carrière van 10-jarige Wen Jun

Migrantenkinderen in Peking gaan vaak naar een illegale school, waar ze voor weinig geld les krijgen. Nu het stadbestuur deze illegale scholen wil sluiten, dreigen de kinderen helemaal geen onderwijs meer te krijgen.

Wen Jun is een slim meisje van tien. Net als haar klasgenootjes draagt ze een blauw trainingspak en heeft ze een rode zakdoek om haar nek geknoopt. Wen Jun zit op een school van migrantenkinderen in Xiaoxinzhuang, een verre buitenwijk van Peking op zo’n twee uur rijden afstand van het centrum. Ze krijgt les in een vervallen, verveloos gebouw met tochtige klaslokalen zonder ramen. Nu in de winter brandt er slechts één kolenkachel. De school is door de ouders zelf gebouwd – illegaal.

Behalve dat ze slim is, kan Wen Jun ook heel goed tekenen. Ze wil later grafisch ontwerper worden, zegt ze. Maar of dat lukt? De autoriteiten hebben de sluiting aangekondigd van de school in Xiaoxinzhuang en van alle andere naar schatting 220 illegale migrantenscholen in Peking. Als Wen Jun van school moet, kan ze haar toekomst wel vergeten.

Wen Jun komt uit de provincie Anhui. Twee jaar geleden zetten de autoriteiten haar vader van zijn land. Toen trok hij met zijn hele gezin naar Xiaoxinzhuang om werk te vinden. Nu is hij vuilnisman in Peking.

China telt zo’n 150 miljoen boerenmigranten die net als de vader van Wen Jun op goed geluk naar de stad zijn getrokken. Alleen al in de metropool Peking wonen er naar schatting vier miljoen. Ze doen zwaar en vuil werk, en worden daarvoor slecht betaald. Recht op sociale voorzieningen hebben ze niet, doktersrekeningen kunnen ze niet betalen.

Tot voor kort waren de boerenmigranten helemaal vogelvrij. Ze hebben nooit officieel toestemming gekregen naar de stad te komen. Daarom kon de politie hen elk moment oppakken en terugsturen naar het platteland. Maar aan die praktijk is in Peking een eind gemaakt. De wet op terugzending werd twee jaar geleden geschrapt. De boerenmigranten worden nu officieel getolereerd als goedkope arbeidskrachten.

Het Pekingse stadsbestuur nam nog een ander, niet minder verstrekkend besluit. Het kondigde aan dat migrantenkinderen zoals Wen Jun voortaan naar gewone scholen mogen om openbaar onderwijs te volgen. In Peking wonen naar schatting 370.000 migrantenkinderen. Door de nieuwe maatregel krijgt deze kwetsbare groep opeens perspectief op een volwaardig bestaan. Dankzij de kans op goed onderwijs zullen Wen Jun en haar leeftijdgenootjes het later beter krijgen dan hun ploeterende boerenouders het nu hebben in de stedelijke jungle.

Maar helaas voor Wen Jun en de andere kinderen: zo veelbelovend ziet het er in de praktijk helemaal niet uit. Sterker nog: de kans is groot dat de meeste migrantenkinderen straks helemaal geen onderwijs meer kunnen volgen. Er zijn namelijk veel te weinig openbare scholen in Peking die bereid of in staat zijn al die migrantenkinderen op te vangen. En net zomin als boerenmigranten doktersrekeningen kunnen betalen, kunnen ze het zich veroorloven hun kinderen naar dure scholen te sturen. Maar dat weerhoudt het stadsbestuur er niet van om de aangekondigde sluiting van alle illegale scholen door te zetten. Illegale scholen zijn immers niet meer nodig nu iedereen naar openbare scholen mag, is de redering. Het doet er niet toe dat dat recht slechts op papier bestaat.

De migrantenarbeiders in Xiaoxinzhuang, voornamelijk bouwvakkers en straatventers, wonen in barakken temidden van het puin van afgebroken huizen en de bouwputten van toekomstige nieuwbouwwijken. Honden snuffelen aan vuilnis en voor de ingang van de bouwvallige, provisorisch gemetselde huizen worden soepketels verwarmd op een vuurtje. Het migrantenschooltje van Wen Jun staat midden in het dorpje.

Op het schoolplein klauteren kinderen op een verroest klimrek. In de middagpauze staan kinderen met een plastic bakje in de hand te dringen rond een tafel waar een waterachtig rijstprutje wordt geserveerd. Al lopend slurpen de groezelig geklede kinderen hun bakje rijst naar binnen. Voor het schoolhek staan de kinderen die zich deze ‘luxe’ lunch niet kunnen veroorloven. Zij wachten tot het hek opengaat en lopen over een vuilnisbelt naar huis om daar te eten.

Ook Wen Jun staat in de rij om naar huis te gaan. Het schoolgeld en de kosten voor de lunch bedragen tien dollar per maand, een bedrag dat hij van zijn schamele salaris van 45 dollar per maand niet kan opbrengen. Omdat Wen Jun uitzonderlijk intelligent en artistiek begaafd is en haar vader zo weinig verdient met het verzamelen van vuilnis, betalen haar dorpsgenoten het schoolgeld – hoewel ook zij het niet breed hebben. Zo wordt het migrantenschooltje door vrijwilligers draaiende gehouden. Het lesmateriaal en het salaris van de leerkrachten worden betaald met het schoolgeld van de ouders en met de giften van de families en kennissen van de leerlingen.

„Alles is opgebouwd met geleend geld van ouders en vrijwilligers. Sluiting zou een ramp zijn voor de kinderen”, legt hoofdonderwijzeres Wei Ruizhi uit in haar kale kantoortje. Volgens de nieuwe regels van het stadsbestuur kunnen migrantenscholen worden gelegaliseerd als ze beschikken over een eigen kapitaal van 100.000 dollar. Maar, zegt Wei Ruizhi: „Dat bedrag kunnen de migranten nooit opbrengen.”

Zo hebben de goede bedoelingen van de autoriteiten een averechtse uitwerking. Veel openbare scholen nemen de laatste tijd geen leerlingen meer aan, juist om de migrantenkinderen te weren, zegt ze. „En als ze al aangenomen worden, is de kans groot dat hun ouders het hoge schoolgeld niet kunnen betalen of dat de kinderen worden gediscrimineerd. Veel migranten zijn daardoor gedwongen hun kinderen terug te sturen naar hun geboortedorp waar ze opgevangen worden door opa of oma.”

Wen Jun, die zich na de lunchpauze weer bij haar klasgenootjes heeft gevoegd, weet van de dreigende sluiting. Ze peutert even aan haar vale rugtasje en laat verlegen een paar van haar tekeningen zien. „Als ik hier weg moet, kan ik mijn toekomst wel vergeten”, zegt ze.