Een schaduw, op en naast het ijs

Het Noorse schaatstalent Håvard Bøkko (19) werd vorig seizoen wereldkampioen junioren met de grootste voorsprong sinds Eric Heiden. De jacht op de één jaar oudere Sven Kramer is geopend.

Waarom zou hij er zenuwachtig van worden dat zijn trainer Peter Mueller hem publiekelijk vergelijkt met Eric Heiden, de beste schaatser aller tijden? Håvard Bøkko lacht en neemt een slok van zijn chocolademelk. „Dat is toch leuk? Peter kent Heiden al van jongs af aan en heeft zelf met hem geschaatst. Dus zal hij wel weten wat hij zegt. En veel van zijn voorspellingen zijn tot nu toe uitgekomen.”

De jonge Noor, die dit weekend bij de eerste wereldbekerwedstrijden in Heerenveen meedoet op alle afstanden, is zelf overigens de eerste om de vergelijking met Heiden te relativeren. „Iedereen kan roepen wat hij wil, maar daar ga ik niet automatisch sneller van schaatsen. Ik weet best dat ik de komende jaren heel hard zal moeten werken om mezelf te blijven verbeteren. En dan nog: een tweede Eric Heiden komt er nooit meer. Ik denk dat het schaatsen te ver ontwikkeld is om ooit nog alle afstanden te kunnen winnen.”

Een realistischer vergelijking dan, met zijn voorganger als wereldkampioen junioren, de Nederlander Sven Kramer? „Sven is een erg goede schaatser. Als junior schaatste hij in Europa een tien kilometer in 13.09, ik in 13.24. Dus denk ik dat hij als junior een betere schaatser was dan ik. Maar ik probeer hem zo snel mogelijk in te halen.”

De twee jonge topschaatsers kennen elkaar behoorlijk goed. „We zijn geen best friends maar via msn hebben we regelmatig contact”, zegt Bøkko. „Dan kan het over van alles gaan, van auto’s tot de laatste roddels in het schaatswereldje. Ik kan me ook nog goed herinneren dat ik Sven voor het eerst zag, in Berlijn, bij de Europese jeugdkampioenschappen 2004. Vantevoren had ik al gehoord dat Nederland een heel goede schaatser had. Hij reed daar 6.40 op de vijf kilometer, ik 7.10. Maar een jaar later, bij de wereldbeker in Hamar, was zijn tijd 6.28 en die van mij 6.32. Van dertig seconden achterstand naar vier, dat betekende voor mij een grote stap. Als ik dit jaar net als hij 6.08 (het huidige wereldrecord van Kramer, red.) rijd op de vijf kilometer ben ik tevreden.”

Bøkko, die vorige week in Hamar zijn persoonlijk record op de 500 meter verbeterde tot 36,25 en die ook sterk is op de 1.500 meter, belooft nu al spektakel op de allroundtoernooien. „Als Sven en ik allebei in topvorm zijn, is het goed mogelijk dat we op een EK of WK allround na drie afstanden zo dicht bij elkaar staan, dat we tegen elkaar moeten op de tien kilometer. Hij is sterk op die afstand, ik moet nog wat verbeteren en proberen bij hem aan te haken. Ik denk trouwens dat we als allrounder allebei nog moeten groeien om Chad Hedrick en Shani Davis te verslaan.”

Vorig jaar, bij het EK in het Vikingskipet van Hamar, brak de toen achttienjarige Noor definitief door als allrounder. Hij werd derde in het eindklassement, achter de Italiaanse kampioen Enrico Fabris en zijn ervaren landgenoot Eskil Ervik, maar vóór Kramer. „Ik zal dat toernooi nooit meer vergeten. Vooraf dacht ik stiekem aan een plaats in de topzes, maar ik heb mezelf verbaasd. Voor de tien kilometer wist ik dat Sven vijftien seconden op me moest winnen. Dus moest ik een tijd rijden die hem een beetje onder druk zou zetten. Dat lukte, hij haalde het niet. Stond ik op het podium, en dat voor al die Noorse supporters, op onze eigen thuisbaan. Het leek wel Thialf. Super!”

Door een defecte ijsmachine ging het EK de geschiedenis in als het eerste allroundtoernooi waarbij drie afstanden op één dag werden verreden. Voor Bøkko was het ook om een andere reden een bijzondere wedstrijd. Zijn familie maakte een zware tijd door, omdat zijn moeder vlak voor het EK een nier afstond aan zijn zieke oudere broer Bjørnar, met wie hij erg close is. De schaatser stond met tranen in zijn ogen aan de start van de 500 meter. „Ik heb er in de dagen vooraf een paar keer kort met Peter Mueller over gesproken. Ik wist dat ik me moest concentreren op het schaatsen. Vanaf het eerste startschot is me dat ook gelukt. Mijn familie had me vooraf verteld dat de operatie geslaagd was, mijn broer zat alweer in het stadion. Ik heb hem ’s zaterdags nog even gesproken en hij vertelde dat hij zich goed voelde. Dat vond ik schitterend. Maar ze vertelden me niet dat mijn moeder nog in het ziekenhuis lag, met problemen aan haar maag. Dat las ik pas maandag in de krant! Uiteindelijk is het gelukkig allemaal goed afgelopen.”

Na het EK volgden de Olympische Winterspelen in Turijn, waar de Noorse ploeg en coach Mueller met hoge verwachtingen naartoe gingen. Medailles leverde het niet op. „De slechtste veertien dagen uit m’n leven”, noemt Mueller het achteraf. „Het team kwam met een slecht gevoel uit Turijn”, zegt Bøkko. „Zelf was ik wel tevreden. Op de ploegachtervolging haalden we bijna een medaille. Op de 1.500 ben ik er vol in gevlogen om te zien wat mogelijk was. Ik nam iets te veel risico en viel. Jammer, maar ik schaatste goed. Op zulke momenten moet je je eigen gang gaan. Je traint het hele jaar met een team, maar uiteindelijk is het een individuele sport. Soms moet je je eigen lijn volgen. Het gevoel van teleurstelling in Noorwegen heeft geen vat op mij gekregen. Ik wist dat er een WK junioren aankwam. Dat was het hele jaar al mijn grote doel. In 2005 was ik derde geworden, achter Kramer en Wouter Olde Heuvel. Ik wilde mijn tijd als junior per se afsluiten met een wereldtitel.”

In Erfurt werd hij glansrijk wereldkampioen, met meer dan tweeënhalve punt voorsprong op Olde Heuvel, inmiddels ploeggenoot van Kramer bij TVM. Het verschil tussen nummer één en twee was nooit groter, sinds Eric Heiden in 1978 won met zeven punten voorsprong. Bøkko zoekt zijn vergelijkingsmateriaal liever in eigen land. „Geir Karlstad was de laatste Noorse wereldkampioen bij de junioren, vierentwintig jaar geleden. En Adne Søndrål is daarna nog een keer tweede geweest, achter Falko Zandstra.”

Søndrål is de jeugdheld van Bøkko. Beiden komen uit Hol, een bergdorpje tussen Oslo en Bergen, met hooguit vijfhonderd inwoners én een ijsbaan. „Er ging geen dag voorbij dat ik niet aan sport deed. Schaatsen, hardlopen, hoogspringen, fietsen met mijn vader, die vroeger crosscountry skiër was. School vond ik alleen leuk omdat ik in de pauzes kon voetballen. Altijd lol maken, altijd bezig zijn. Op mijn zesde ben ik begonnen met schaatsen. Tot ik een jaar of elf was, behoorde ik altijd tot de besten van mijn leeftijd. Een jaar later werd ik er ineens afgereden. De andere jongens waren gegroeid als kool, ik bleef klein en dun. Pas op mijn vijftiende had ik ze weer ingehaald en werd ik nationaal kampioen bij de junioren. Vanaf dat moment wist ik dat schaatsen mijn toekomst was. Ik heb geen idee wat ik anders was gaan doen.”

In Hol ligt het geheim achter zijn talent. „Je hebt daar een energiecentrale met pijpleidingen die tegen de berg op lopen, en daarnaast een trap. Zeventienhonderd treden, drie- tot vierhonderd meter hoogteverschil. Toen ik negen jaar was, rende ik voor het eerst naar boven. Het is een perfecte training, ik doe het nog steeds. Op mijn vijftiende zette ik mijn persoonlijk record op 11.09. Afgelopen jaar deed ik het in 10.57. Niet zo’n grote verbetering, maar als kleine jongen was ik een stuk lichter dan tegenwoordig. Toen de rest van de ploeg laatst bij me thuis was, zouden we gaan rennen. Maar toen Peter de steile trap zag, zei hij: no way, we gaan naar huis! Dit jaar hebben ze een nieuwe trap aangelegd, van 450 treden. Je doet er ongeveer twee minuten over, een ideale training voor de 1.500 meter.”

Op de ijsbaan in zijn woonplaats begon drie jaar geleden zijn carrière. „Ik was me aan het voorbereiden voor het NK junioren”, vertelt Bøkko. „De nationale selectie was er ook, op trainingskamp voor het WK. Op een dag kwam Peter Mueller op me af. Hij vroeg of ik bij zijn ploeg wilde komen. Mijn eerste gedachte was: dat zal hij wel aan iedereen vragen. Maar de volgende dag stond het groot in de plaatselijke krant. Toen dacht ik: dit is geweldig. Die zomer mocht ik meetrainen. Zat ik op één kamer met Lasse Saetre, die ik alleen kende van tv, die een bronzen medaille had gewonnen op de Olympische Spelen. Ik durfde bijna niet met hem te praten. Maar ik ben vanaf het begin goed opgenomen in de groep.”

De bescheiden debutant doet in trainingen nauwelijks onder voor ‘uitgeharde’ krijgers als Ervik, Saetre en Grødum. Ook bij zijn eerste feestje met de Noorse ploeg maakt hij indruk. Het levert hem direct zijn bijnaam op: Shadow. „Het was in Arendal, meer vertel ik niet. Vraag Peter maar wat er achter zit.” Het blijkt te gaan om stiekem meegenomen flessen wijn. „Typisch Shadow”, zegt Mueller. „Je ziet hem niet, je hoort hem niet. Maar hij krijgt altijd voor elkaar wat hij wil. In trainingen is het net zo. Nooit zeuren, nooit moeilijk doen. Als een schaduw volgt hij, zonder op te vallen. Maar ze rijden hem er nooit af en als het belangrijk wordt, is hij er bij.”

In zijn eerste twee seizoenen in de Noorse kernploeg maakte Bøkko enorme sprongen. „Ik weet dat het moeilijk zal worden om mezelf zo te blijven verbeteren. Toch denk ik dat ik dit jaar weer een grote stap heb gemaakt. Niet dat ik ineens andere dingen heb gedaan. Gewoon van alle trainingen ietsje meer. Langere fietstochten, iets meer in de krachttraining. Ik geloof niet dat ik dikkere benen heb gekregen, hooguit een centimeter meer dan vorig jaar. En op het ijs doe ik nu meer mee met Ervik en Grødum.”

Is het niet te zwaar voor een jochie van negentien, een zware tempotraining van 25 rondjes met zulke ervaren stayers, zoals vlak voor het seizoen in Inzell? „Nee hoor, dat doet me vrij weinig. Ik was na afloop niet eens moe. Bleek dat we 21 seconden sneller waren geweest dan de keer daarvoor! Als ik dit kan blijven opbrengen, weet ik dat het goed zit.”

De avond na de zware training rennen in Inzell ineens Noorse schaatsers over straat. Middenin het Zuid-Duitse dorpje staat een snelheidsmeter, en Håvard Bøkko wil met een paar junioren in de ploeg het record boven de dertig kilometer per uur brengen. „This has to be fun! Dat gevoel heb ik nu volop. Schaatsen is leuk.”

Hard trainen en lol hebben. Met in het achterhoofd een duidelijk plan. „Op een dag wil ik de beste allrounder van de wereld zijn. Daar droom ik van.”