De kip in New York

Kent u het verhaal van de kip in New York? Volgens de overlevering lieten antropologen aan de leden van een primitieve stam in Papoea Nieuw-Guinea filmbeelden zien van Manhattan. Zij wilden deze mensen, die in hun leven nooit één stap buiten het oerwoud hadden gezet en helemaal niets van de Westerse wereld wisten, confronteren met het moderne leven. Als een soort schoktherapie kregen ze een uur lang scènes te zien van mensenmassa’s, wolkenkrabbers, auto’s, bruggen, snelwegen en vliegtuigen. Achteraf werd hun gevraagd wat ze gezien hadden. Hun antwoord? Een kip.

Wat? Een kip? Hoezo, waar dan? Het was toch een film over New York? Hadden ze wel naar het scherm gekeken? Maar, inderdaad, toen de onderzoekers nog eens nauwkeurig de film terugkeken, bleek héél even, een fractie van een seconde, een man met een kip door het beeld te lopen. Alleen die kip werd door de oerwoudbewoners herkend, die konden ze thuis brengen. Al de andere beelden van de wereldstad gingen als het ware het ene oog in en het andere oog weer uit. Er was eenvoudigweg geen haakje in het brein waaraan ze al die beelden van taxi’s en flatgebouwen konden ophangen. Er was alleen een plekje voor die kip.

Alle respect voor u, dappere lezer van de wetenschapsbijlage, maar u hebt in deze pagina’s vast een hoop kippen voorbij zien fladderen. Want het is moeilijk iets concreets voor te stellen bij al die hogere dimensies, nanomotoren of genmanipulaties zonder daar zelf een expert in te zijn. Daarom is schrijven over wetenschap voor een groot publiek altijd een beetje liegen. Weliswaar een leugentje om bestwil, maar toch een leugentje.

Dit plaatst de wetenschap in een lastig isolement, in groot contrast met bijvoorbeeld de kunsten. Want de bezoeker van een museum of de toehoorder van een concert kan, met enige moeite, wel degelijk tot de kern van een kunstwerk doordringen. U weet dit uit eigen ervaring. U kunt nog zo’n beeldende beschrijving van Beethovens vijfde symfonie lezen, maar bij het eerste pa-pa-pa-paaa in de concertzaal verstommen alle woorden. Daarom wordt er geklaagd over te veel gepraat op de klassieke zender. De lezer van een artikel over de nieuwste doorbraak in de wiskunde daarentegen bevindt zich eerder in de positie van een muziekliefhebber die met partituren en recensies de symfonie in eigen hoofd moet oproepen – geen gemakkelijke opdracht. Niemand klaagt dan ook over te weinig formules in de krant.

Voor mij werd de perfecte metafoor voor deze fundamentele onzichtbaarheid van de wetenschap, die zowel haar kracht als zwakte is, door Sir William Herschell gegeven. Deze van oorsprong Duitse violist en hoboïst schreef eerst vele symfonieën en concerten voordat hij interesse in de wiskunde en sterrenkunde kreeg. Hij werd in één klap wereldberoemd met zijn ontdekking van de planeet Uranus, de eerste nieuwe planeet sinds de Oudheid. Maar in het jaar 1800 deed hij nog iets schokkends. Hij had het originele idee de temperatuur van het licht te meten. Dat deed hij door met een prisma een kunstmatige regenboog te maken en vervolgens een thermometer in de verschillende kleuren te plaatsen. Zo vond hij dat het rode licht aan de ene kant van het spectrum warmer was dan het violette licht aan de andere kant. Een belangrijke ontdekking. So far, so good.

Maar vervolgens deed hij iets dat alleen een genie of een gek zou doen. Hij plaatste de thermometer naast het rode licht, waar helemaal niets te zien was. En daar bleek het zowaar nog warmer te zijn!

Herschell ontdekte door deze geniale ingeving (of was het een ongelukje?) het infrarode licht. Licht dat er altijd is geweest – u straalt het bijvoorbeeld nu uit – maar dat nooit eerder was waargenomen. Ons oog is daar eenvoudigweg niet geschikt voor. Deze ontdekking was het begin van een lang verhaal, want we weten nu dat het spectrum van elektromagnetische straling in beide richtingen oneindig ver doorloopt. Aan de rode kant via de microgolven van de magnetron tot de radiogolven die om de aarde heen krullen. En aan de violette kant via het UV-licht dat ons aan het strand doet verbranden, naar de röntgenstraling van de radioloog en de gammadeeltjes die ons vanuit het heelal bombarderen. Maar uit dat immense spectrum kunnen wij mensen alleen de regenboog zien. Dat is ónze kip.

Als wetenschap zó vaak over onvoorstelbare en onzichtbare zaken gaat, heeft het dan wel zin haar bevindingen te interpreteren voor een groot publiek? Moeten we dan niet in naam van de eerlijke berichtgeving onmiddellijk de wetenschapsbijlage afschaffen?

Nee, want hier zou ik de Wet van Dijkgraaf in de wetenschapscommunicatie willen introduceren. Volgens dit principe telt niet alleen de geleerdheid of de veelheid van detail. De effectieve kennisoverdracht van een boek, voordracht of documentaire moet heel anders worden gemeten. Deze is het product van twee factoren: de hoeveelheid informatie die wordt overgebracht én de grootte van het publiek dat deze informatie vervolgens opneemt. Het gaat dus uiteindelijk om het totale aantal bits dat wordt uitgewisseld. Als ik mij één keer op deze plek een formule mag permitteren: de overgedragen kennis (K) is het product van de informatie (I) en het publiek (P), oftewel K = I · P.

Volgens deze formule kunnen veelbekeken maar oppervlakkige tv-shows (lage I, hoge P) dezelfde waarde hebben als een dik boekwerk dat slechts voor enkele experts toegankelijk is (hoge I, lage P). De kijkcijfers kunnen namelijk het gebrek aan diepgang compenseren. Stel als rekenvoorbeeld dat honderdduizend kijkers naar de prachtige televisiedocumentaire over het bewijs van de laatste stelling van Fermat hebben gekeken. Van deze uitzending zal bij velen niet veel meer zijn bijgebleven dan dat een wereldvreemde wiskundige na jarenlang isolement een eeuwenoud probleem oploste. Deze boodschap is in enkele regels samen te vatten. Maar volgens mijn hogere boekhoudkunde zijn dan toch honderdduizenden regels door de ether gegaan. Dat is een geleerde boekenplank vol.

Ik hoor collega’s soms klagen dat ze voor een obscure radio-uitzending wat over hun werk mochten vertellen, op een zender met slechts tienduizend luisteraars. Maar stelt u zich eens voor dat die tienduizend man allemaal in één zaal zaten. Wat een fenomenaal gehoor zou dat zijn, wat een grandioos succes.

Dit is geen pleidooi voor oppervlakkige toegankelijkheid, noch voor hermetische diepgang. Beide factoren zijn belangrijk en er is in de maatschappij behoefte aan een grote diversiteit in wetenschapscommunicatie, zowel in de breedte als in de diepte. Soms, heel soms, lukt het een wetenschapper een breed publiek een diepe ervaring te laten ondergaan, zoals in Nederland Frits van Oostrom met zijn prachtige werken over de Middelnederlandse letterkunde doet. In dat geval heeft de K dubbele letterwaarde, omdat er een hoge I en een hoge P is.

Daarom moeten we niet zo bang zijn voor het kip-in-New-York-effect, ook niet in de wetenschapsbijlage. Want ook die ene apocriefe kip, die per ongeluk door het beeld liep, heeft zich in de hoofden van de leden van de oerwoudstam vele malen vermenigvuldigd. En wie weet wat voor verhalen daarna nog over haar zijn verteld en doorverteld. Misschien heeft het arme beestje wel een mythische betekenis gekregen.

Bij nader inzien is de kip een prachtig symbool voor het onverwachte gemeenschappelijke dat twee totaal verschillende culturen kan verbinden, een smalle brug tussen de jungle en de urban jungle, tussen het alledaagse en het onvoorstelbare. Dit soort symbolen moeten we koesteren.