De diepere zin van een hanengevecht

De Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz overleed vorige week op 80-jarige leeftijd. Hij zag cultuur als een symbolisch systeem door middel waarvan mensen de wereld betekenis geven.

Dirk Vlasblom

In het voorjaar van 1958 arriveerde de Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz, 32 jaar jong, in een dorp op Bali waar hij onderzoek wilde doen. Huisvesting was geregeld door de gouverneur, maar wat antropologen ‘rapport’ noemen – een verstandhouding met informanten die betrouwbare informatie oplevert – was er niet. Behalve zijn gastheer en het dorpshoofd deden alle dorpsbewoners of Geertz er niet was. Totdat in het dorp een hanengevecht werd gehouden. Dat was verboden, en de politie deed een inval. Iedereen sloeg op de vlucht, ook Geertz. Toen het stof eenmaal was neergedaald, vroegen dorpelingen hem plagerig waarom hij was weggerend. Hij had toch gewoon zijn papieren kunnen laten zien? Het ijs was gebroken. ‘Op Bali betekent geplaagd worden, geaccepteerd zijn’, schreef Geertz in zijn essay Deep Play – Notes on the Balinese Cockfight.

Dat opstel is Geertz ten voeten uit. Hij vertelt iets over zijn eigen positie als onderzoeker (wat antropologen toen zelden deden), hij benoemt de ongeschreven regels van een ritueel en geeft een ‘lezing’ van de Balinese cultuur. Geertz woonde 57 hanengevechten bij en noteerde hoeveel er werd ingezet bij weddenschappen tussen de eigenaren van hanen. Bij hoge inzetten waren de vechthanen beter tegen elkaar opgewassen en was de uitkomst ongewisser. Zo’n gevecht noemt Geertz deep play, een term die hij ontleent aan de Britse filosoof Jeremy Bentham. ‘Diep’ is volgens Bentham een gokspel met hoge inzet, waarbij het extra nut van een gewonnen pond kleiner is dan het nutverlies als gevolg van een verloren pond. Bentham vond dit irrationeel. ‘Een Balinees’, schrijft Geertz, ‘zet met zijn haan zijn publieke zelf op het spel. Voor Bentham zou dit de irrationaliteit alleen maar vergroten, maar voor de Balinees wint de weddenschap hierdoor aan betekenis. En betekenis toekennen aan het leven is de essentie van het menselijke bestaan. Wat het hanengevecht ‘diep’ maakt, is dat men inzet naar status. Het gevecht simuleert het sociale systeem: dorpen, verwantengroepen, waterschappen, tempelcongregaties en kasten. Status moet worden bevestigd en verdedigd, dat is de drijvende kracht van de Balinese maatschappij.’

overgang

Het essay is opgenomen in de bundel

Clifford James Geertz werd in 1926 geboren in San Francisco. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende hij bij de Amerikaanse marine en in 1945 ,,redde De Bom me op het nippertje van de verplichting Japan binnen te vallen’’. Van 1946 tot 1950 studeerde hij met een veteranenbeurs aan Antioch College in Ohio. Als hoofdvakken koos hij Engels en filosofie, want hij wilde schrijver worden.

Daarna wist hij niet goed wat te doen. Zijn docent filosofie suggereerde antropologie en bracht hem in contact met Clyde Kluckhohn (1905-1960), hoogleraar antropologie aan Harvard. Die was bouwheer van een experimentele, interdisciplinaire afdeling: Sociale Betrekkingen (‘SocRel’). Daar was culturele antropologie niet, zoals elders in de VS, gekoppeld aan fysische antropologie en archeologie, maar aan psychologie en sociologie. Geertz noemde de jaren 1946-1960 later ‘uitbundig, vol optimisme en ambities’. Jonge academici met oorlogservaring stonden open voor wereldproblemen; overheden en megastichtingen gaven volop geld voor onderzoek. De Ford Foundation financierde een gezamenlijk onderzoeksproject van Harvard’s SocRel, MIT’s Centre for International Studies en een Indonesische universiteit. Het team bestond uit psychologen, antropologen, een historicus en een socioloog, allen van Harvard. Zij maakten een langetermijnstudie van een stadje in de door vulkanen omlijste rijstkom van Oost-Java. Geertz: ‘Voor antropologen was dit een eerste poging hun stammen-en-eilanden-discipline aan te passen aan grootschalige samenlevingen met geschreven geschiedenissen, gevestigde regeringen en samengestelde culturen.’ Na tweeënhalf jaar onderzoek promoveerde hij op het proefschrift The Religion of Java.

Deze kwistig gefinancierde projecten waren geïnspireerd door de zogenoemde moderniseringstheorie. Die betrof de opkomst van het kapitalisme in het Westen en was ontleend aan de Duitse socioloog Max Weber en zijn Amerikaanse epigoon Talcott Parsons. Zij zagen na de Reformatie en de Renaissance een onstuitbaar proces van economische, politieke en culturele rationalisering, van de bureaucratie tot de industriële organisatie van arbeid. Geertz, in 2002: ‘Dit leidde tot naarstig zoeken naar vooruitgang genererende waardesystemen in het niet-rationele, niet-kapitalistische niet-Westen.’ Geertz zou onderzoek gaan doen op islamitisch Sumatra, christelijk Sulawesi en hindoeïstisch Bali, maar de Koude Oorlog kwam tussenbeide. Op Sumatra en Sulawesi vochten door de CIA gesteunde rebellen tegen de linkse regering van president Soekarno en Geertz bleef op Bali (1957-’58),

In de jaren zestig leidde hij aan de University of Chicago het Committee for the Comparative Study of New Nations, een multidisciplinair project voor onderzoek in de postkoloniale staten van Azië en Afrika, onder de optimistische noemer ‘natievorming’. Omdat Indonesië werd geteisterd door politieke turbulentie en geweld ging Geertz veldwerk doen in een ommuurd stadje in Marokko’s Midden-Atlas, vorsend naar bazaars, moskeeën, olijfteelt en orale poëzie. In 1970 werd hij hoogleraar – de eerste in de sociale wetenschappen – aan het Institute for Advanced Study in Princeton, New Jersey.

cultuurbegrip

De lessen uit de jaren vijftig en zestig verwoordde hij in 1973 in ‘The Interpretation of Culture’. ‘Iedereen’, schreef hij een kwart eeuw later, ‘weet waarmee culturele antropologie zich bezighoudt: met cultuur. Het probleem is dat niemand precies weet wat cultuur is. De definities waren destijds zo veelomvattend dat we ertoe veroordeeld leken te werken met een logica en een taal waarin begrip, oorzaak, vorm en uitkomst dezelfde naam hadden. Ik nam op me het cultuurbegrip tot werkbare proporties terug te snoeien.’

Geertz nam uitdrukkelijk afstand van twee extreme posities: het cultuurbegrip van behaviouristen, die slechts kijken naar waarneembaar fysiek handelen, en idealisten, die menen dat ,,cultuur leeft in de harten en hoofden van mensen’’. Als eerste van zijn discipline beschouwde Geertz cultuur als een symbolisch systeem dat betekenis geeft aan de bekende wereld en deze begrijpelijk maakt, een verzameling symbolische middelen door middel waarvan individuen zichzelf zien als deelnemers aan een manier van leven. Deze dragers én verleners van betekenis zijn, bijvoorbeeld, gemeenschapsfeesten, gezamenlijke gebeden, huwelijkssluitingen, politieke bijeenkomsten, hofdansen, geestuitdrijvingen, het planten van rijst, begrafenissen, volksverhalen en... hanengevechten. Cultuur, zegt Geertz, is publiek, want deze symbolische systemen zijn eigendom van een groep.

‘De analyse (van deze systemen)’, vervolgt hij, ‘is geen experimentele wetenschap op zoek naar wetten, maar een interpreterende wetenschap op zoek naar betekenis.’ Antropologie behelst volgens hem ‘het verwerven van een zekere vertrouwdheid met deze symbolische middelen.’ Hij vergelijkt de methoden van de antropoloog die cultuur analyseert met die van een literatuurcriticus die een tekst ontleedt. ‘Het bedrijven van etnografie (cultuurbeschrijving) is als het lezen van een manuscript in een vreemde taal, verbleekt, vol onvolledige zinnen, incoherenties en verdachte verbeteringen, niet geschreven in conventionele schrifttekens die voor klanken staan, maar in voorbeelden van geleerd gedrag.’ Sommigen noemen zijn benadering ‘symbolische antropologie’, maar Geertz gaf zelf de voorkeur aan ‘interpreterende antropologie’, want: ‘Waar ik op uit ben, is duiding.’

neo-imperialisme

Intussen sloeg de vlam in de pan. Er ontstond een polemiek over de rol van antropologen in Vietnam; moderniseringsonderzoek werd op één lijn gezet met neo-imperialisme. Er kwam een stortvloed van vragen los over het koloniale verleden van de antropologie en er klonk een roep om nieuwe paradigma’s. Twijfel, desillusie en zelfkritiek kwamen samen onder de noemer ‘postmodernisme’, een term van J.F. Lyotard. Moderniteit was plotseling verdacht. Postmodernisme was meer een retorisch etiket dan een samenhangende theorie. Werk uit die hoek draait om twee kwesties: een literaire – de constructie van etnografische teksten – en een politieke – de morele status van antropologisch gezag, machtsuitoefening in de onderzoekspraktijk, ideologische vooroordelen en medeplichtigheid met kolonialisme, racisme en uitbuiting.

De literaire variant bleek aan te sluiten bij Geertz’ benadering. ‘Plotseling was ik een odd man in.’ Hij deed niet mee aan de verbale oorlogen tussen de zogenoemde ‘paleos’ en ‘posties’. Het ging, vond hij, te vaak over woorden en te weinig over mensen. En er bleef weinig heel van het werk der vaderen. Geertz in 2002: ‘Zelfs een gebrekkige erfenis verdient beter dan de vuilnisbak,’

In zijn laatste jaren hield hij zich bezig met mondialisering en etnische conflicten, ‘de gelijktijdigheid van kosmopolitisme en parochialisme.’ Hij schreef ook recensies voor de The New York Review of Books. Onder de kop Which Way to Mecca? liet hij zijn licht schijnen over de lawine van boeken die na ‘9/11’ verschenen over de islam. Hij bekritiseerde daarin neigingen om die religie af te schilderen als één ‘beschaving’ of een ideologisch onderscheid te maken tussen ‘authentiek’ en 'vervalst’.

Ook Geertz is bekritiseerd, bijvoorbeeld om zijn metaforen, waarvan sommigen smulden en waarin anderen verdwaalden. Over één ding is men het eens: Geertz was een humanist. In 1999 schreef hij: ‘De studie van de cultuur van anderen behelst ontdekken wie zij denken dat ze zijn, wat ze denken dat ze doen en met welk doel zij denken dat te doen. Daarvoor hoef je niet andermans gevoelens te voelen of andermans gedachten te denken – dat kan niet. Het betekent leren hoe, als wezen van elders, met hen te leven.’

.

.

.

.

.

.

.

.