Breingen uit IJstijd wijst op menging met Neanderthaler

Een variant van een gen dat een belangrijke rol speelt in de hersengroei is mogelijk afkomstig van Neanderthalers. Dit blijkt uit een analyse van de verschillende varianten van dit microcephalin-gen (MCPH1), die binnenkort verschijnt in de Proceedings of the National Academy of Sciences (online beschikbaar sinds 7 november). Op grond van genetisch onderzoek schetsen onderzoekers van de universiteit van Chicago een scenario dat een van deze genvarianten vanaf ca. 1,1 miljoen jaar geleden verder evolueerde in een inmiddels uitgestorven zijtak van de menselijke stamboom (dus niet onze voorouders). Pas 38.000 jaar geleden (in de laatste IJstijd dus) zou de variant door een wat zij noemen ‘zeldzame menging’ met (hoogstwaarschijnlijk) Neanderthalers in het genoom van de moderne mensensoort Homo sapiens terecht zijn gekomen. Het microcephalin-gen is betrokken bij de hersengroei, want bij beschadiging raken de hersenen ernstig achter in de groei en blijven vier keer zo klein als normaal is.

Zo'n ‘introgressie’ van een gen vanuit een verwante soort is in de dierenwereld niet ongebruikelijk. Een absolute scheiding (= de onmogelijkheid van kruising) tussen verwante zoogdierensoorten ontstaat vaak pas 2 tot 8 miljoen jaar na de splitsing uit de moedersoort. Eerder dit jaar werd uit vergelijking van het chimpansee en mensengenoom nog geconcludeerd dat er ná de splitsing tussen deze verwante primatensoorten, ca. 6 miljoen jaar geleden, nog een (korte) periode van onderlinge genetische menging was geweest (Nature, 18 mei).

Het geslacht Homo, waartoe ook de moderne mens behoort ontstond ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden. De moderne mensensoort Homo sapiens is ongeveer 200.000 jaar oud. In totaal worden wel een dozijn soorten in Homo onderscheiden, al is er weinig wetenschappelijk consensus over. Naast H. sapiens leefde er tot enkele tienduizenden jaren geleden ook nog Homo neanderthalensis lange tijd in de directe nabijheid van Homo sapiens in Europa en West-Azië.

Waarschijnlijk moeten er van de veronderstelde menging van ca. 40.000 jaar geleden wel meer sporen in het genoom terug te vinden zijn, maar deze MCPH1-variant, ‘D’, valt erg op omdat hij zich zo snel door het genoom verspreid heeft. Het gen kwam namelijk vorig jaar ook al in het nieuws omdat dezelfde onderzoekers toen ontdekten dat de variant D pas 38.000 jaar geleden was ontstaan terwijl 70% van de huidige wereldbevolking drager is van deze variant. Zo’n snelle verspreiding is alleen mogelijk als de genvariant een duidelijk evolutionair voordeel biedt – welk voordeel is echter nog altijd onbekend (Science, 9 september 2005).

Er zijn wel meer menselijke genvarianten gevonden die al heel lang geleden lijken te zijn afgesplitst van de hoofdmoot van het menselijke genoom, maar daarvoor zijn altijd alternatieve verklaringen gevonden. Hendrik Spiering