Als Saddam Hussein een Afrikaan was

In Afrika had Saddam Hussein niet hoeven hangen. Internationale tribunalen straffen oorlogsmisdadigers, maar Afrikanen vinden vergeven belangrijker. „Ik zou zijn hand willen pakken.”

Op de dag na de eerste ronde van de verkiezingen voor parlement en president in de Democratische Republiek Congo is er tijd voor een biertje in de Coco Jambo. Zo heet de pleisterplaats voor hulpverleners, journalisten en veel te jonge prostituees in het zwartgeblakerde vulkaanstadje Goma, in het oosten van het land.

De correspondent van het Amerikaanse persbureau Reuters heeft de grootste mond. Iedereen die het wil horen vertelt hij over zijn eerste schreden in de journalistiek. Zijn standplaats vóór Oost-Afrika was de Amerikaanse staat Texas, zijn geboortegrond. Daar was hij rechtbankverslaggever. „Een geweldige baan’’, vindt hij nog steeds. „Ik heb heel wat executies bij mogen wonen. Ik heb er iedere seconde van genoten.’’

Het meest genoten heeft hij op de dag dat de dodelijke naald in de arm ging van Gary Michael Heidnik. Dat was in 1999. De correspondent beschrijft met oog voor detail hoe deze Heidnik zes vrouwen had gekidnapt, verkracht en vermoord. Een van de slachtoffers is de echtgenote van de manager van de rockgroep ZZ Top. De correspondent heft het glas. „Hang ’em high.”

Aan de tafel ontstaat debat over de rol van wraak in de Amerikaanse en westerse politiek. Het is 1 augustus 2006. Precies op deze dag begint het Nederlandse leger aan de NAVO-missie in Afghanistan. Op deze dag vallen Israëlische bommen in Libanon, rijden Amerikaanse tanks door Irak. „Hang ’em high”, roept de correspondent van Reuters. „Aan de hoogste boom ermee.”

De volgende ochtend doet onze taxi er drie uur over om van Goma bij het vliegveld van Kigali te komen, in buurland Rwanda. Een beruchte weg in het Grote Meren-gebied. Over deze weg gingen de Interhamwe-milities in 1994 van dorp naar dorp. Langs deze weg werden tienduizenden Tutsi’s en gematigde Hutu’s vermoord. Langs deze weg vluchtten de slachtoffers naar Congo, en de daders later ook. Langs deze weg is alles wat nu nog aan die genocide herinnert een bescheiden monument.

Het is dinsdag. Hoe dichter we bij Kigali komen, hoe drukker het wordt langs de berm van de weg. We zien grote bomen, waaronder de dorpelingen op elkaar geperst zitten op lange houten banken. Dorp na dorp, gehucht na gehucht is uitgelopen om mee te doen aan de zogeheten gacaca’s. Bijna vier jaar zijn deze volksrechtbanken nu aan de gang.

Op elke dinsdag kijken slachtoffers en daders elkaar hier recht in de ogen. Daders die hun misdaden toegeven en de volledige waarheid vertellen, worden hier beloond met halvering van hun straf of geen straf. Excuses zijn hier belangrijker dan boete. Zo spreekt het volk hier elke dinsdag niet alleen recht. Het volk spreekt vooral met elkaar. Een groter contrast met de Texaanse methode is nauwelijks denkbaar.

De gacaca stamt uit een eeuwenoude traditie. Zo worden hier burenruzies opgelost. Wie steelt, wie er met de vrouw van een ander vandoor gaat, wie liegt of bedriegt, verstoort de sociale orde. Daar heeft iedereen last van. Slachtoffer, dader en hun hele families. Die orde kan alleen worden hersteld als iedereen met elkaar onder de boom kruipt. Gacaca is geen foutloos systeem, benadrukken mensenrechtengroeperingen, maar gacaca helpt wel de harmonie in de gemeenschap te herstellen.

Ook in Rwanda werd na 1994 geroepen om keiharde maatregelen tegen de meedogenloze moordenaars. De Rwandese regering stuurde soldaten naar Congo om de daders op te sporen. En de regering verzocht de Verenigde Naties om een tribunaal op te richten. De genocide moest worden gewroken, vond vooral de nieuwe Tutsi-regering.

Het Rwanda-tribunaal dat werd opgericht in Arusha in buurland Tanzania, werd geen succes. Na vijf jaar was pas een handvol daders voorgeleid en bestraft. Bijna honderdduizend vermeende moordenaars wachtten nog in overvolle gevangenissen. Rwanda zou nog 150 jaar bezig zijn voor de rechtbank iedereen gehoord zou hebben.

Rwanda kon niet door. Daders en slachtoffers wonen er nog steeds op dezelfde, overbevolkte heuvels. Daders en slachtoffers hakken in hetzelfde overgecultiveerde land. De genocide heeft de sociale orde verstoord. Het tribunaal opereert over de grens, in Tanzania. Zo kan geen enkele orde worden hersteld.

Neem nu het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. In 2002 opgericht voor de vervolging van de verantwoordelijken van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. De eerste voorzichtige successen werden allemaal geboekt in Afrika, dat dit jaar met stip tot proeftuin van het hof werd uitgeroepen.

Afgelopen donderdag begon in Den Haag de eerste rechtszaak tegen Thomas Lubanga, een militieleider uit Oost-Congo. Het Hof onderzoekt oorlogsmisdaden in Darfur. In de gevangenis van Den Haag wacht voormalige president van Liberia Charles Taylor op een rechtszaak onder het mandaat van het Speciale Hof voor Sierra Leone.

En het Hof heeft zich op het noorden van Oeganda gestort, al twintig jaar het jachtterrein van een van de meest bizarre en gewelddadige militielegers van Afrika. Met de bijbel in de hand ontvoerde het Verzetsleger van de Heer (LRA) volgens schattingen van Unicef 25.000 kinderen. Maakte moordmachines van de jongens en seksslavinnen van de meisjes. Sneed slachtoffers oren en lippen af. Twee miljoen Acholi’s, de bevolkingsgroep in Noord-Oeganda, ontvluchtten hun huizen naar overvolle regeringskampen. Daarom vaardigde het Strafhof in oktober 2005 de arrestatiebevelen uit voor de leider van het LRA, Joseph Kony, en een vijftal commandanten van het leger.

„Hang ’em high’’, hadden de Acholis kunnen zeggen, toen Kony aankondigde de bush uit te willen komen en de oorlog te willen staken. Maar dat zeiden ze niet. De Acholis stuurden afgevaardigden naar Den Haag. Daar maakten ze de aanklagers duidelijk dat de arrestatiebevelen de vrede in Noord-Oeganda in de weg staan. Daar verweten ze het Strafhof „zichzelf te willen bewijzen, ten koste van de vrede.’’

„Hang ’em high’’, had ook de president van Oeganda, Yoweri Museveni, kunnen zeggen. Zolang als hij aan de macht is, sinds 1986, voert hij oorlog tegen Kony en zijn door de ‘Heer’ bezeten helpers. Hij riep in december 2003 de hulp in van het Strafhof omdat die oorlog niet te winnen was. Maar zelfs Museveni probeert het Strafhof nu te overtuigen dat intrekken van de arrestatiebevelen beter is voor Oeganda.

„De geloofwaardigheid van het Hof staat hier op het spel”, zegt Richard Goldstone. De voormalige Zuid-Afrikaanse rechter was aanklager bij het Joegoslavië-tribunaal en het Rwanda-tribunaal. Goldstone onderzocht (oorlogs)misdaden in Zuid-Afrika, in Kosovo, Irak en Argentinië. Goldstone geeft nu les aan de New York University of Law.

„Ik geloof niet dat vrede kan standhouden als misdadigers die de ergst denkbare misdaden hebben begaan, wegkomen met amnestie”, zegt Goldstone. „Naar mijn mening is duurzame vrede niet mogelijk zonder gerechtigheid.” Het Hof, vindt Goldstone, is geen kraan die je naar believen open- en dichtdraait.

Berechten moet, zeggen de experts en de ministers op de westerse departementen van Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Zaken. Vergeven is beter, zeggen de slachtoffers.

In Oeganda komen twee ideeënwerelden met elkaar in botsing. De wereld van de blanke Zuid-Afrikaan Goldstone is de wereld die voortkwam uit het Roman Dutch Law, de Franse revolutie, de wereld van de rede. Het kwaad moet bestraft worden. Als we dat niet doen, is de wereld verloren. De wet is onze enige houvast.

Vergeven, zegt Goldstone eigenlijk, is het kwaad vergoelijken. Daar bouw je geen vrede mee, daarmee creëer je een monster. Zonder gerechtigheid raken we ons moreel kompas kwijt, ons onderscheid tussen goed en kwaad.

De wereld van de Acholi, zoals de wereld van de meeste Afrikanen, is gebouwd op een heel ander principe. In die wereld is het onderscheid tussen goed en kwaad niet vastgelegd in wetten. In die wereld wijzen ouderen en overledenen ons de weg. In die wereld zijn de doden het moreel kompas. In die wereld hebben de doden nog iedere dag invloed op het leven van de nabestaanden. Wie zijn voorouders niet eert en respecteert, wie zijn voorouders niet verzoent, zal spoedig worden bestraft met een ongenadige portie ongeluk.

Hoe belangrijk dit idee is in Afrika, is elke dag te zien. Ook in de rijkste en modernste buurten van Johannesburg worden ieder weekend koeien geslacht bij begrafenissen en bruiloften om de voorvaderen gunstig te stemmen. Ook in de rijkste en modernste buurten van Johannesburg worden traditionele genezers, sangoma’s, dagelijks geconsulteerd over de vooruitzichten van het leven.

Wie in ontkerkelijkt West-Europa werd geboren, zal deze tradities misschien zien als exotisch en een laatste stuiptrekking van een achterlijk continent. Maar wie dit denken niet zeer serieus neemt, schrijven Afrika-specialisten Stephen Ellis en Gerrie ter Haar in hun boek World of Powers, zal Afrika nooit begrijpen.

Tribunalen verzoenen de voorouders niet. Mensen kunnen dat wel. De Acholi doen dat rond het haardvuur. Na een conflict voeren ze daar hun reinigingsrituelen uit. De ceremonie heet mato oput. Dan drinken de Acholi een bitter sap gemaakt van de oput-boom. Leugenaars en bedriegers kunnen bij deze ceremonie vragen om vergeving. Ze krijgen die als ze verantwoordelijkheid nemen voor hun daden en schadevergoeding betalen. Een geit. Een koe.

Het ritueel is pragmatischer dan het lijkt. Het is een overlevingsmechanisme. Wie opgroeit in een omgeving van grote droogtes, ziektes, van oorlogen en een staat die zich gedraagt als roofdier, is aangewezen op zijn dorp. Vergeven van de schuldige, is het vergeven van een extra werkkracht op het land. Vergeven van de schuldige is ook noodzaak in een samenleving waar politie en justitie niet per se je beste vrienden zijn. De meeste Afrikanen overleven zonder jeugdzorg, thuiszorg, slachtofferzorg. In Afrika staan geen legers psychiaters klaar na oorlog, moord of verkrachting. Vergeven is overleven in dit wetteloze continent.

Ik leer die les op een reis door centraal Mozambique eind 2004. Er worden verkiezingen gehouden voor parlement en president. Er doen twee partijen mee. De oppositiepartij heet Renamo. Dat is een partij die ooit werd opgericht met de hulp van het blanke regime in buurland Rhodesië (nu Zimbabwe) en het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Deze partij had maar een doel: de vernietiging van alles wat functioneerde in onafhankelijk, en marxistisch, Mozambique. Renamo zette verplegers en artsen, advocaten en docenten tegen de muur. Renamo blies scholen op, legde mijnen in de akkers waar boeren hun maïs en graan vandaan zouden moeten halen.

De andere partij die aan de verkiezingen meedoet heet Frelimo. Zij wees na de onafhankelijkheid centraal Mozambique aan als een broeinest voor opstandelingen. „Opdat centraal Mozambique mag veranderen in een begraafplaats’’, moedigde de toenmalige president Samora Machel zijn troepen aan. In centraal Mozambique rolden de regeringssoldaten hun bommentapijten uit. Daar legden ook zij de landmijnen die nog dagelijks slachtoffers maken.

Ik reis naar het stadje Gorongosa in centraal Mozambique met de vraag hoe het mogelijk is dat Mozambikanen twaalf jaar na die oorlog weer op beide partijen stemmen alsof politiek altijd slechts een spel van woorden was. Ik probeer die vraag te stellen aan Eugénio Almeida, het dorpshoofd van een kraal even buiten Gorongosa. Ik, de tolk en hij zitten op omgedraaide emmers onder de enige boom die zijn erf uit de hete zon houdt. Het interview wordt een mislukking. Almeida ontwijkt al mijn vragen. Hij is niet geïnteresseerd in de vraag wie hem beschoten heeft vanuit het struikgewas. Wie er hier bommen en mijnen heeft gelegd. Frelimo of Renamo, hij haalt zijn schouders op. „Guerra é guerra”, zegt hij. Oorlog is oorlog.

Net voordat ik wil opgeven, herinner ik me een essay van een wetenschapper over de geest van overleden soldaten die in Gorongosa zou rondwaren. Gamba heet die geest. „Ooit wel eens van gamba gehoord’’, vraag ik het dorpshoofd, terwijl ik het kladblok alweer terugstop in mijn rugtas. Ineens lichten de ogen op van het dorpshoofd. „Jazeker. Ik heb de gamba gisteren nog gezien’’, zegt hij op fluistertoon. „Ik zag rook opstijgen van het kerkhof. Dat is de gamba.’’

Almeida vertelt nu honderduit. Hoe de geest van de vermoorde soldaten de levens van de dorpelingen nog dagelijks bemoeilijkt. Als de koe geen melk geeft. Als de regens niet komen. Als de oogst mislukt. Als de vrouw niet zwanger wordt. „Dat is de gamba.’’ De gamba heeft hele dorpen hier op de vlucht gejaagd. De oorlog waart hier nog altijd rond. In Gorongosa weten de dorpelingen dat soldaten in de oorlog hun lijf besmeerden met traditionele kruiden, hun geweren volhingen met ingezegend gras. Zo zouden ze hun moordenaars in het leven na de dood tot in de eeuwigheid kunnen achtervolgen.

Eugénio Almeida staat op en vraagt ons hem te volgen naar het huis van de buurvrouw. Theresa is de vrouw die de aanhangers van Renamo of Frelimo onder dezelfde boom roept, als de voorvaderen haar daarom vragen. Alleen zij kan het dorp genezen van de gamba.

Theresa begint zacht te grommen. Ze schudt met kralen en roert met een wortel langzaam in een beker water. Het grommen wordt nu krijsen en het oude lichaam trilt. Dan verstijft ze, alsof ze een fractie van een seconde bezeten is door een ander. Ze kreunt. Chief Almeida heeft het tafereel glunderend gadegeslagen. „De geest is weg nu’’, zegt hij. „U heeft het zelf gezien.’’

Neem de Commissie voor waarheid en verzoening (TRC) in Zuid-Afrika. De commissie legde de twintigduizend slachtoffers van het apartheidsregime verzoening op. Een commissie die uit opportunisme werd geboren. Zonder de belofte van amnestie waren de laatste voorvechters van de gedwongen rassenscheiding niet bereid de politieke macht op te geven. Het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) van Mandela wilde die macht, koste wat kost. De waarheidscommissie was wisselgeld.

Dat twintigduizend Zuid-Afrikanen niettemin bereid waren hieraan mee te werken, hun verhaal te doen en desnoods de moordenaars van hun kinderen of ouders te vergeven, is niet verbazend. De wereld heeft meer waarheidscommissies aan de gang gezien. Nergens viel het idee op zo’n vruchtbare grond als in Zuid-Afrika.

De waarheidscommissie verbond twee karaktertrekken van de religieuze cultuur van Zuid-Afrika. Christendom en het idee van ubuntu, ik ben omdat anderen zijn. „Umuntu ngumuntu ngabanye bantu”, zegt een Xhosa-spreekwoord. „Mensen zijn mensen door andere mensen.” Het individu is niets zonder de groep. Ubuntu sluit nooit buiten. Ook criminelen niet. Ook moordenaars niet.

Pearl Faku is weduwe van een van twee politiemannen die werden vermoord door de superkiller van het apartheidsregime Eugene de Kock. Ze noemen hem Prime Evil, omdat hij meer mensen vermoordde dan hij zelf nu nog kan nagaan. De Kock beschreef voor de waarheidscommissie hoe hij Faku’s echtgenoot met een bom om het leven bracht. Toen Faku huilde tijdens zijn getuigenis zei ze: „Ik hoop dat hij begrijpt dat we niet alleen om onze echtgenoten huilen, maar ook om hem. Ik zou zijn hand willen pakken. Hem laten zien dat er een toekomst is, en dat hij nog steeds kan veranderen.”

Een van de leden van de waarheidscommissie, psychologe Pumla Gobodo-Madikizela, beschrijft die vergeving in haar boek A human being died that night als een vorm van wraak. „Hoewel vergiffenis vaak als teken van zwakte wordt gezien, kan de beslissing te vergeven slachtoffers paradoxaal genoeg juist een sterkere positie geven. […] Op het moment dat de dader berouw begin te tonen en naar een manier zoekt om vergeving te vragen, wordt het slachtoffer de sleutel tot wat de verschoppeling wenst: opnieuw te worden toegelaten tot de menselijke samenleving.” Het slachtoffer wint, want hij verlaagt zich niet tot het niveau van het kwaad dat hem is aangedaan. Volgens een onderzoek dat in 2001 werd gepubliceerd in The British Journal for Psychiatry zijn slachtoffers die hebben vergeven, beter in staat over hun trauma heen te komen. Depressies kwamen vaker voor bij slachtoffers die niet bereid waren verontschuldigingen te accepteren.

Pumla Gobodo-Madikizela beschrijft in haar boek het ongemakkelijke moment waarop ze zichzelf betrapt Eugene de Kock niet als misdadiger, maar als mens te zien. Het overkomt haar als De Kock zegt: „Ik wou dat ik meer kon doen dan sorry zeggen. Ik wou dat ik de doden weer tot leven kon wekken. Dat ik tegen ze had kunnen zeggen: hier zijn jullie echtgenoten terug.”

Dat is het moment waarop de schrijfster zijn hand voorzichtig aanraakt. De hand die moordde, de hand waarmee hij de trekker overhaalde. Waarom voelt het zo verkeerd om van misdadigers gewone mensen te maken, vraagt ze zich later af. Monsters van ze maken is makkelijker.

Waarheidscommissies en reinigingsrituelen zoals in Oeganda en Mozambique slaan een brug tussen onze wereld en hun monsterlijkheid. Onbedoeld heeft het Internationaal Strafhof die brug nu ook in Noord-Oeganda geslagen. Onder druk van de arrestatiebevelen kwam het Verzetsleger van de Heer uit de bush, en werd vredesoverleg gestart. In Afrika botsen ideeënwerelden, maar ze komen er ook samen.