Voorbij je grote teen

Herstellende van een operatie aan zijn moeilijke voeten lag Isaac Israels in 1919 enige tijd in het ziekenhuis. Hij hield er een schetsboek bij dat nu in Nijmegen voor het eerst wordt tentoongesteld.

‘Hij hield van modieuze schoenen. Te hoge, te strakke schoenen, met smalle punten, waardoor de druk op de voorvoeten groot wordt en aan de zijkant van de grote teen een uitstulping, een botwoekering kan ontstaan, die steeds meer gaat irriteren. Extostose aan de grote teen.”

Een diagnose stellen op basis van een paar schetsen zonder de patiënt te hebben onderzocht, is niet zijn gewoonte. Chris van Weel, hoogleraar huisartsgeneeskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, maakt een uitzondering. Zolang hij zich kan heugen, weet hij van ‘oom Ietje’ die in 1919 een voetoperatie onderging in het Haagse Zuidwal ziekenhuis en tijdens de lange recuperatieperiode de verveling verdreef met het vastleggen van zijn beperkte blikveld. Dit schetsboek is voor een expositie in museum Het Valkhof in Nijmegen uit elkaar gehaald, waardoor 32 van de 45 tekeningen en aquarellen voor het eerst getoond kunnen worden.

Chris van Weel heeft Isaac Lazarus Israels (1865-1934) nooit meegemaakt – de schilder overleed dertien jaar voor zijn geboorte. Verhalen bepaalden het beeld van de beroemde broer van zijn overgrootmoeder. Zijn moeder vertelde ze en na haar vroege dood zijn vader, die de familiegeschiedenis van zijn vrouw koesterde. Het beeld was gekleurd door de uitzonderingspositie die Israels kennelijk innam. Een van de meest kenmerkende anekdotes vertelde zijn moeder toen hij nog klein was. Als jong meisje mocht ze met haar oma, Israels’ een jaar oudere zus, mee naar de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Het moet eind jaren twintig zijn geweest. Wat er werd opgevoerd, vergat ze, maar de opmerking van haar oma, vlak voor aanvang, bleef haar altijd bij: „Niet achterom kijken, daar zit Isaac met zijn vrouwen.”

De reputatie van de schilder

werd gewaardeerd, maar niet zijn omgang met vrouwen van een zekere reputatie die model voor hem stonden. Dat Israels nooit trouwde, dat hij ‘vriendinnen had’ en verkeerde met theatervolk, met prostituees, hoorde niet. Tomeloos veel vrouwen poseerden voor Israels; zijn zusje Mathilde was er niet bij. „Het schijnt dat hun relatie beperkt was. Misschien verschilden ze teveel. Ik zie ze voor me als de joyeuze Ietje en de rechtlijnige Masje.” Naar familiegebruik hanteert Van Weel de koosnamen die de schilder Jozef Israëls en Aleida Schaap in lang vervlogen tijd aan hun kinderen gaven.

Isaac behield de zijne ook in de kring van schrijvers en schilders van Tachtig met wie hij in Amsterdam bevriend raakte. De dichter Willem Kloos die enige tijd boven hem woonde, verkleinde het in een scheldsonnet in 1893 nog meer: van Ietje naar nietsjes.

Israels wàs klein van stuk. Vandaar het schoeisel met verhoogde hakken dat hem tenslotte in het ziekenhuis deed belanden. Het schetsboek intrigeerde Van Weel van kleins af aan, net als de portefeuille met aquarellen die zijn moeder had geërfd. Een medische studie kwam toen niet in zijn hoofd op. Overgrootvader Gerard Cohen Tervaert, de man van Mathilde, en grootvader Dirk waren artsen met aanzien geweest. De overige kinderen en kleinkinderen werden jurist, brachten het tot rechter of bankier. Niemand koos een kunstzinnig beroep.

Enige jaren geleden publiceerde Van Weel over het schetsboek in twee medische tijdschriften, het Belgische Semper en het Engelse The Lancet. Hij houdt van het schetsboek om Israels’ observaties. Er is nog een reden waarom het hem boeit. Hoewel het van vlak na de Eerste Wereldoorlog is, ademt het een atmosfeer die hij nog heeft gekend: „Bedrust luidde het devies. Zelfs na een betrekkelijk eenvoudige operatie als deze. Dat was in 1919 het geval, en het gold nog altijd toen ik eind jaren zestig, begin zeventig mijn coschappen liep. Nog voordat ik was afgestudeerd, veranderde dat radicaal. Het monument dat rust goed was, nog stammend uit de tijd dat de volksvijand tuberculose bestreden werd met langdurige rust, werd volledig afgebroken. Het bleek gezonder voor de patiënten als ze zo snel mogelijk weer op de been waren.”

Israels zou nu zelfs de tijd niet hebben een schetsboek te pakken. De ingreep gebeurt poliklinisch, onder plaatselijke verdoving en niet met een narcose zoals destijds. Uit meer dan wondbehandeling en het toedienen van pijnstillers zal de verpleging niet hebben bestaan. Op diverse schetsbladen tekende hij zijn ingezwachtelde voeten. Vanuit het perspectief van de bedlegerige patiënt. Hier steken ze als vormeloze ondingen de lucht in, gevoelig misschien. Daar rusten ze op een zacht kussen, een reep gestreepte pyjamabroekspijp piept onder het dek uit. Op de voorgrond de linkerhand die het schetsboek vasthoudt. In de verte, achter de inmiddels in pantoffels gestoken voeten, een tafel getooid met een gevulde bloemenvaas op een tafelkleed waarvan een punt overhangt. Geveinsde vrolijkheid of een studie in stilstand?

De inhoud van het schetsboek wijkt af van Israels’ bekende thema’s: geen theater- en strandscènes, geen straatgewoel, geen naakte of voyant geklede vrouwen. Het gedwongen liggen vernauwde zijn kijk, die dikwijls ruimhartig was. Het reduceerde zijn kleurige indrukken van het leven buitenshuis tot het spectrum van de boeketten die, hij wist er toch variatie in te brengen, allengs meer verwelken. Maar vrouwen had hij genoeg om zich heen. Staande in de deuropening, lezend, met verstelwerk of theedrinkend aan de tafel in de ziekenkamer zijn ze stuk voor stuk persoonlijkheden. Net als de waspitten, koffiepiksters, midinettes, revuegirls en dienstmeisjes op straat zou je ze herkennen wanneer ze je in een ziekenhuisgang passeerden. Het meisje met de losgeraakte lok, gebogen over een fonteintje. Haar wat oudere collega met de bolle wangen die in gedachten verzonken uitrust in de linnenkamer. Van Weel vroeg zich als jongetje af wie ze waren, hoe ze heetten, wie de hoofdzuster was. In zijn studietijd zou hij ze weer tegenkomen in hun blauwe uniformen met witte schorten en manchetten, zij het zonder knooplaarsjes.

Kunsthistorica Merel

van den Nieuwenhof heeft een van Israels’ verpleegsters weten te identificeren. Aan de schilder Willem Witsen, een uitmuntend schaker, schreef hij lovend over zuster Raman. Zij moet het wel zijn die hij vereeuwigde terwijl ze een partij met hem speelt.

Israels lag op een kamer alleen, eersteklas. Op sommige aquarellen zijn door het venster kale boomtakken te zien met op de achtergrond vaag de behuizing aan de overzijde. De kamer lijkt een comfortabel gestoffeerde salon: groene wandbekleding, dikke groengele gordijnen die overdag met een embrasse worden opgehouden, gezellige tafelkleedjes en een gemakkelijke fauteuil. Maar het hielp niet: „Ik schiet hier absoluut ziek op m.a.w. criant vervelend. Laat iedereen, die gewonen voeten heeft zich asjeblieft nergens ter wereld iets van aantrekken. Want dàt is maar alles. Het spreekt vanzelf dat je het allemaal vergeten bent zoodra je weer op straat staat”, schreef Israels het echtpaar Witsen, dat aanbood hem te komen bijstaan. Zomer 1917 had Witsen zes weken in het Zuidwal gelegen nadat hij, op de eerste dag van een logeerpartij bij Israels op de Koninginnegracht van de trap viel en daarbij zijn pols brak. Volgens Witsens agenda werd dr. Schoemaker erbij geroepen, waarna hij naar het ziekenhuis werd vervoerd. De volgende dag werd zijn pols gezet.

Israels kende dr. Jan Schoemaker dus. Mogelijk had de chirurg hem begin 1917 behandeld voor een liesbreuk. Voor Van Weel is het een befaamde naam en niet alleen omdat hij in 1919 Israels’ moeilijke voeten bevrijdde: „Daarvoor was hij overgekwalificeerd. Hij was een autoriteit in de Europese heelkunde van zijn tijd. Buikchirurg, gynaecoloog, orthopedisch specialist en bovendien uitvinder van operatieinstrumenten als de maagklem.”

Israels noemt Schoemaker in brieven, maar nergens tussen voeten en vazen en verpleegsters duikt de internationaal vermaarde, dan 48-jarige chirurg met de indrukwekkende snor en de golvende haardos op. Naast Israels’ zelfportret-met-verpleegster is de enige andere man in het schetsboek een medepatiënt met een ingevallen kop die, zwaar leunend op de schouders van twee verpleegsters over de gang schuifelt.

Het schetsboek leerde Van Weel kijken en vergelijken. De expositie in Nijmegen maakt de cirkel rond. Toen de UMC wisselleerstoel voor bezoekende vrouwelijke internationale wetenschappers onlangs de naam Valkhof kreeg, meende Van Weel dat er een duidelijke verbinding moest worden gelegd met het museum. Hij besloot het schetsboek aan conservator Pieter Roelofs te laten zien. Zodoende heeft het museum voor het eerst een exclusieve Israelstentoonstelling in huis. Rondom de vitrines met de schetsbladen uit het ziekenhuis worden als contrast andere werken op papier van Israels getoond, eveneens uit particulier bezit. Museum Mesdag zal zijn typisch Haagse werken ernaast plaatsen.

Het is allemaal door Mathilde bekeken. Israels’ zus, die een gedreven rol vervulde in de vrouwenbeweging, mag dan haar bedenkingen hebben gehad over zijn levenswijze, na zijn dood, als gevolg van een aanrijding, vatte ze de taak op de werken uit het overvolle atelier hun juiste bestemming te geven. Via twee grote veilingen bij Frederik Müller in Amsterdam gingen honderden werken de wereld in.

Kort na de Duitse inval

liet ze het familiebezit onderbrengen bij het veilinghuis. Het is ongeschonden de bezetting doorgekomen. Net als haar zoon Joost, die gemengd gehuwd was. Maar de weduwe Mathilde en haar ongetrouwde dochter Aleid werden gedeporteerd. Van kamp Barneveld via Westerbork naar Theresiënstadt. Mathilde is op 18 februari 1945 in Sankt Gallen gestorven, kort na haar 81ste verjaardag. Aleid is teruggekomen. Ze heeft, aldus Van Weel, nooit over het kamp gesproken, „noch over de omstandigheden waaronder oma Masje is gestorven. Mijn moeder herkende haar tante niet terug na de bevrijding. Van een strenge, rechtlijnige vrouw was ze heel liefdevol en warm geworden. Ik beschouwde haar als mijn derde oma. Ze hield de familiegeschiedenis levend, belegde feestelijke bijeenkomsten en vertelde over Isaac. Die traditie hebben we na haar dood in 1985 voortgezet.”

Het is Van Weel eens gebeurd dat hij ergens binnenkwam en in een fractie van een seconde de sensatie had dat Isaac aanwezig was: „Direct daarop zag ik een olieverf van een van zijn vrouwen. Ze droeg een grote hoed. Ik ben vertrouwd met iemand die ik niet heb gekend.”

De tentoonstelling ‘Israels in het ziekenhuis’, Museum Het Valkhof Nijmegen tot 28 januari 2007 www.museumhetvalkhof.nl; Museum Mesdag Den Haag 25 februari tot 21 mei 2007, www.museummesdag.nl; Publicatie: Merel van den Nieuwenhof (met een het ziekenhuis. Tekeningen, aquarellen en schilderijen uit particulier bezit, BnM Uitgevers Nijmegen € 14.50