‘Tijdgeest motor achter proces Samir A.’

De zes terreurverdachten in het Piranha-proces vormden geen organisatie, zeggen hun advocaten. Er was geen structuur, en hun contact was summier.

De advocaten in het zogenoemde Piranha-proces tegen Samir A. en vijf andere verdachten veroordeelden in hun pleidooien de ‘dubbele standaard’ die volgens hen wordt toegepast op moslims met een mogelijk radicale interpretatie van hun religie. De wereld is sinds ‘11 september’ drastisch veranderd, stelden de advocaten de afgelopen twee dagen in het terreurproces.

De tijdgeest is, wat betreft de verdediging, de drijvende motor achter het terreurproces. Een groep fanatieke hooligans mag elkaar regelmatig ontmoeten in het stadion. Ook mogen ze per sms, email of via de telefoon hun clubliefde én haat jegens hun tegenstanders delen. Als zij dan gezamenlijk uit liefde voor hun club de kantine van de tegenstanders kort en klein slaan, mogen ze geen criminele organisatie heten. Een groep Nederlandse moslimjongeren, van wie sommigen elkaar slechts één keer hebben gezien, wordt wel meteen als een terroristische groep voor de rechter gesleept als ze elkaar zo nu en dan treffen om religieuze zaken te bespreken. Aldus het beeld dat de advocaten schetsten.

„In wat voor land leven wij inmiddels”, vroeg advocaat Robert Maanicus zich gisteren in de zwaar beveiligde rechtbank in Amsterdam-Osdorp retorisch af. Hij somde enkele tekenen van de tijdgeest op. Een minister dreigt een imam met een enkeltje op het vliegtuig te zetten omdat hij iemand verwenst. Dezelfde minister wil een commissie afschaffen omdat die meent dat een islamitische docente mannen geen hand hoeft te geven. Bepaalde verdachten worden onder on-Hollandse omstandigheden gevangen gehouden vanwege het delict waarvan ze worden verdacht, terwijl ze nog niet eens zijn veroordeeld.

De advocaten bestreden dat de zes verdachten een groep vormden, laat staan een terroristische organisatie. Twee of meer personen moeten met een zekere structuur en een zekere duurzaamheid een samenwerkingsverband aangaan om misdrijven te plegen, zo vatte Maanicus een criminele organisatie volgens de wet samen. Maar de aanklagers rekken de wet op. Hiërarchisch geleide organisaties bestaan niet meer, hadden de aanklagers in hun requisitoir gezegd. Tegenwoordig vormen criminelen gelegenheidsorganisaties die voortvloeien uit vriendschappen of „zakelijke relevantie” op dat moment.

„Miskenning van het recht”, oordeelde Maanicus. „Een groepje mensen dat de bedoelingen heeft misdrijven te plegen, is naar Nederlands recht in het geheel niet strafbaar, tenzij dat groepje voldoende structuur heeft.” Deelname aan een criminele organisatie wordt zwaar afgestraft, zei de advocaat. Wanneer het terroristisch oogmerk van de organisatie ook nog bewezen wordt geacht, kan de strafmaat door de nieuwe wet terroristische misdrijven met vijftig procent toenemen. De aanklagers kunnen zich dan ook niet veroorloven om de wettelijke eisen aan een organisatie te laten varen, meende de raadsman.

De vergelijking met de Hofstadgroep was snel gemaakt. In het Hofstadproces veroordeelde de rechtbank negen leden wegens onder andere deelname aan een terroristische organisatie. De aanklagers zeiden in hun requisitoir dat de ‘groep rond Samir A.’ zelfs veel verder was dan de Hofstadgroep. De laatste trof geen voorbereidingen voor concrete misdrijven. Bij Samir en ‘zijn leden’ werd een gecodeerde brief met daarop namen en adressen van politici gevonden. Ook zou Samir A. geprobeerd hebben een bomgordel te vervaardigen. Mogelijk om een zelfmoordaanslag te (laten) plegen.

Je zou van zo’n organisatie die veel verder is dan de Hofstadgroep verwachten, zeiden Böhler en haar kantoorgenoten in hun gezamenlijke pleidooi, dat die een hoge organisatiegraad heeft. In werkelijkheid zagen de verdachten elkaar nauwelijks. Samir A. en ‘gerekruteerd lid’ Mohammed H. zagen elkaar slechts twee keer in de ten laste gelegde periode. H. kende verdachte Mohammed C. niet eens bij diens naam. De verdachten zijn zelfs niet één keer allemaal bij elkaar geweest. Zo wordt het een beetje lastig om „complexe” aanslagen te plegen, zeiden Böhler en haar kantoorgenoten.

Böhler en haar kantoorgenoten V. Koppe en M. Pestman zijn betrokken geweest bij alle terreurzaken in Nederland tot nu toe. Ze zagen van dichtbij hoe vrijspraken na terreurzaken leidden tot wetswijzigingen. Ook waren ze getuige van felle kritieken op rechters vanuit de politiek na vrijspraak van bijvoorbeeld Samir A. Böhler waarschuwde de rechters alvast voor de vox populi, mocht de rechtbank de verdachten in deze zaak zouden vrijspreken. „Als met name Samir A. over twee weken opnieuw zou vrijkomen, zal de volkswoede ongekend zijn.”

De hoge strafeisen van de aanklagers van vijftien jaar tegen Samir A. en Noureddine El F., twaalf jaar tegen Mohammed C., tien tegen Soumaya S. en acht jaar tegen Mohammed H. hebben deze zaak volgens Böhler toch al „onnodig op scherp” gezet.