Spoken uit het huis der doden

‘Openbaringen’ is ....

Aan duizend bladzijden intensieve informatie over de Europese geschiedenis van na 1945 (Postwar in het Engels, Na de oorlog in de net verschenen Nederlandse vertaling) voegde Tony Judt nog een epiloog toe ‘over het moderne Europese geheugen’. Titel: Uit het huis der doden.

Tegen het eind van dat vertelt Judt een Russische grap uit de dagen van de Sovjet-Unie. Een luisteraar naar een ‘bel’-programma vraagt of het inderdaad mogelijk is de toekomst te voorspellen. En het antwoord luidt: ‘We weten precies wat de toekomst zal brengen. Ons probleem is het verleden. Dat blijft maar veranderen’.

Je moet meteen denken aan het laatste Nederlandse nieuws over de Armeense volkerenmoord van bijna een eeuw geleden. Dus aan Wouter Bos, die vorige week nog zeker wist dat de toenmalige Turken zich schuldig hadden gemaakt aan genocide, die niet zo lang daarvoor nog een huidige Turk van z’n kieslijst schrapte omdat de kandidaat de genocide ontkende – en die ineens ten prooi bleek te zijn gevallen aan existentiële twijfel, en besloot het beladen woord voorlopig ‘zoveel mogelijk’ te vermijden.

Hoe een Nederlandse politicus weer iets kon veranderen aan de voorbije werkelijkheid van de Armeense kwestie.

De 20ste eeuw heeft gewemeld van historische ‘kwesties’ die geloochend, verstopt, verdrongen, verzwegen en al dan niet bewust verkeerd herinnerd (en zelfs bestudeerd) werden, alvorens jaren en jaren, en soms meer dan een eeuw later in aard en omvang enigszins onthuld, en tamelijk voor waar geaccepteerd te worden. Waarna de ‘ultieme’ waarheid door mensen die daar slecht tegen konden, toch nog fanatiek werd betwijfeld of bestreden.

Judt begint zijn epiloog met de 20ste eeuwse geschiedenis van de Europese joden. Hij citeert Heine, die (in 1825) vaststelde dat de christelijke doop de enige kans voor joden was op een ‘ticket to Europe’, en hij vervolgt, niet zonder cynisme: ‘Tegenwoordig is de relevante Europese aanbeveling niet de doop, maar de uitroeiing. Erkenning van de holocaust is nu het best denkbare entreebewijs. In 2004 erkende de Poolse president Kwasniewski publiekelijk het lijden van de Poolse joden gedurende de Tweede Wereldoorlog [...] Hij wilde daarmee een pijnlijk hoofdstuk uit de geschiedenis van zijn land afsluiten én Polen op één lijn brengen met de overige EU-landen.’

En in dezelfde gedachtegang stelt Judt vast dat de Turkse ontkenning van de Armeense genocide een hindernis zal blijken voor de toelating tot Europa (zoals ook Servië buitengesloten zal blijven zolang het land geen verantwoordelijkheid wil nemen voor z’n misdaden in de Joegoslavische oorlogen van de jaren negentig) – om te concluderen:

‘De reden dat deze misdrijven tegenwoordig politiek zo zwaar zijn beladen, en ook de reden waarom Europa de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen alle aandacht aan ze besteden, is dat zij zelf medeschuldig zijn aan de unieke misdaad sinds mensenheugenis: de poging van de ene groep Europeanen elk lid van een andere groep Europeanen te vernietigen, op Europees grondgebied.’

De joodse slachtoffers zijn niet de enigen die de Europese gemeenschap vanuit het door Europa zelf aangerichte ‘huis der doden’ blijven achtervolgen. Aan zinloos racistisch, ideologisch en religieus geweld stierven ook na 1945 nog honderdduizenden Europeanen – en ook hun dood zou op een zinvolle manier gememoreerd, dus herdacht, of op een zinloze manier ontkend, dus vergeten worden.

Alleen al de val van het communisme, merkt Judt op, sleepte een stortvloed van verdrietige herinneringen met zich mee. ‘Moesten degenen die de Russische tanks uitnodigden om in 1956 de revolutie in Hongarije of in 1968 de Praagse Lente te onderdrukken daar alsnog voor in de rechtbank verschijnen? In de eerste dagen na de omwentelingen van 1989 vonden velen van wel, maar tot de slachtoffers behoorden ook voormalige communistische leiders. Wie verdiende de aandacht van het nageslacht? Obscure Slowaakse en Hongaarse boeren wier grond werd gestolen, of de communistische apparatsjiks door wie ze van hun erf waren verjaagd, maar die een paar jaar later zelf ook weer slachtoffer werden?’

De grootste, de welwillendste en de diplomatiekste Europese verzoeningscommissie zou tekortschieten als het er om ging alle nog pijnlijke littekens, alle wonden, alle revanchistische gevoelens van verongelijktheid, van wrok en ressentiment te helen. Wie zou, in zijn eigen beleving, uit al die groot- en kleinschalige ruzies, conflicten en formele oorlogen, niet tevoorschijn zijn gekomen als de onverbiddelijke kampioen Leed? Niet veel mensen op aarde hebben het talent om hun eigen verdriet of ongerief te relativeren. En nationale staten hebben dat helemaal niet.

Maar als er zelfs geen bisschop Tutu-achtige commissie aan helpt, wat dan wel?

Judt beveelt ‘een zekere mate van verwaarlozing en zelfs vergeten’ aan, maar zegt daar meteen achteraan dat hij niet echt een pleidooi voor amnesie beoogt: ‘Een natie moet zich eerst dingen herinneren voordat men met vergeten kan beginnen.’

Maar zelfs dan zou wel eens kunnen blijken dat weinig dingen zo taai zijn als ‘verkeerde’ herinneringen en een door de jaren, en zelfs de eeuwen heen misvormd nationaal geheugen. Hoe lang is de herinnering aan de slag op het Merelveld in Servië niet welbewust misbruikt voor de meest oneigenlijke en desnoods onmenselijke doelen? Tot dusver zes eeuwen – en het eind is nog niet in zicht.

‘Slechts de historicus met zijn sobere passie voor feit, bewijs en roeping kan doeltreffend de wacht houden’, schreef een Israëlische historicus – en Judt beaamt dat met graagte, zij het met één reserve:

‘In tegenstelling tot het geheugen, dat zichzelf bevestigt en versterkt, draagt geschiedenis bij aan de ontgoocheling van de wereld. Het meeste van wat de geschiedenis te bieden heeft brengt verwarring teweeg en is zelfs ontwrichtend.’

Maar we hebben niet anders – dus: ‘De geschiedenis moet wél worden geleerd, en van tijd tot tijd opnieuw worden geleerd’. En Judt besluit:

‘Het nieuwe Europa is een opmerkelijke prestatie, maar het blijft voor altijd met een vreselijk verleden belast. Als Europeanen die essentiële schakel willen behouden, als het verleden van Europa het Europese heden wil blijven voorzien van waarschuwende betekenis en morele richting, dan zal dat aan elke generatie opnieuw moeten worden onderwezen. De Europese eenheid is een reactie op de geschiedenis, niet een substituut.’

Het is waar. En de les is behartenswaardig. Maar zal er ook minder door gespookt worden uit het huis der doden?