Op naar ‘nederhorror’

Nicoline van der Sijs: Calendarium van de Nederlandse taal. Sdu, 338 blz. €25,95

‘Fauteuil’ komt van het Oudnederlandse ‘vouwstoel’. Op Tahiti zeggen ze pupa (‘poepen’) voor ‘copuleren’, omdat de ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen het (Vlaams-) Nederlandse woord daar in de 18de eeuw introduceerde. En dat ‘zaterdag’ als enige dag in de week genoemd is naar een Romeinse god (Saturnus), komt doordat de Germaanse goden na zon, maan, Tiwas, Wodan, Donar en Freya op waren.

Dit zijn maar enkele van de feiten en weetjes die de taalkundige Nicoline van der Sijs op een rij heeft gezet in Calendarium van de Nederlandse taal. Van der Sijs ontving afgelopen maandag de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs voor de Geesteswetenschappen, en zette die luister bij met een nieuwe studie waarvoor zij putte uit haar in 2001 verschenen standaardwerk Chronologisch woordenboek. Het is een feestelijk boek geworden, niet het minst door de luxe uitvoering en afgewogen vormgeving van Marise Knegtmans, die onder meer werkte met een bruinrode steunkleur om de vele jaartallen en kaderstukjes aandacht te geven.

‘De geschiedenis van het Nederlands in jaartallen’ luidt de ondertitel van het Calendarium. Trots vermeldt Van der Sijs in haar voorwoord dat dit het eerste calendarium van een taal is (voor geschiedenis bestonden ze al sinds Karl Ploetz halverwege de 19de eeuw historische gegevens in chronologische volgorde presenteerde). De etymologe beschrijft het Nederlands in zes tijdvakken, die elk vooraf worden gegaan door een informatieve inleiding. Wie het boek in één keer uitleest (wat zonde zou zijn) heeft een mooi beeld van het bouwwerk van onze taal, van de woorden Belgae (afgeleid van een Keltisch woord dat ‘zwellen van trots’ betekent) en Batavi (van het Germaanse woord bata, beter) tot het onlangs geïntroduceerde ‘nederhorror’. Ertussenin zien we de invloeden van het Latijn (Romeinse bezetting), het Engels (kerstening), het Duits en Frans (eerste keizers), weer het Latijn (humanisme), Zuidnederlands (val van Antwerpen) het Jiddisch (17de eeuse pogroms), weer het Frans, weer het Duits, Maleis en Amerikaans. Wat niet wegneemt dat Nederland ook taal exporteerde. Enkele van de aardigste lemma’s zijn die waarin Van der Sijs vertelt hoe het handels- Vlaams meeging met Willem de Veroveraar naar Engeland, of hoe woorden als ‘wetering’ en ‘spade’ door 12de-eeuwse Duitsers werden overgenomen van Hollandse watermanagers.

En ja: reeds de oude Hollanders waren taalpuristen: onder ‘1553’ wordt de verschijning genoemd van het anti-bastaardwoordenboek Tresoor der Duytscher talen. Pas bij de tweede druk in 1559 werd het leenwoord tresoor gewijzigd in ‘schat’.