Nou moe

Zijn personages bewoonden een zwierig, chaotisch universum. Maar de aaibare opstandigheid van Guust had er een donkere keerzijde. In Brussel is Franquins papieren wereld nagebouwd in drie dimensies.

Daar staat het bureau van Guust Flater, een grijze kolos zoals je ze nauwelijks meer ziet, met een paar van zijn uitvindingen, zoals een apparaat voor absurd sterke koffie en een ventilator die een klein vliegertje aanblaast om op het werk bij weg te dromen. Uit de kast vallen boeken en poststukken die al heel lang geleden heel dringend hadden moeten worden afgehandeld.

Guust Flater, de schepping van striptekenaar André Franquin (1924-1997), is de onhandigste kantoorbediende aller tijden. Hij schitterde tussen 1957 en 1991 in 909 afleveringen in het weekblad Robbedoes. Van de Guust-albums zijn er in Nederland, België en Frankrijk ruim dertig miljoen verkocht. En nu is Guusts platte wereld in drie dimensies ‘tot leven gebracht’ in een tentoonstelling in Brussel.

Franquin was een Brusselaar, geboren in Etterbeek. Net als de andere grote Belgische striptekenaars Hergé en Willy Vandersteen genoot hij een keurige katholieke opvoeding en ging hij bij de padvinderij. Daarna deed hij de Brusselse kunstacademie Sint Lucas. Hij trouwde met zijn buurmeisje en hij werkte aan succesvolle series: Robbedoes en Kwabbernoot, Ton en Tineke, Marsupilami en Guust, die in het Frans Gaston Lagaffe heet. Zijn tekeningen zijn zwierig, de wereld die zijn personages bewonen is niet het aangeharkte universum van Kuifje, maar een gezellige en geloofwaardige chaos. Zijn beroemdste creatie doet niets dat met werk te maken heeft. Hij zou geen enkel functioneringsgesprek overleven, maar zijn hart zit op de goede plek.

Guust is een goedmoedige anarchist. Hij heeft weinig vertrouwen in het gezag, in militairen of andere figuren die in een uniform rondlopen. Guust pleegt op relatief milde manier verzet, want net als in de tekenfilm vallen er geen echte doden. Hij saboteert parkeermeters. Guust doet uitvindingen, af en toe mist er een verdieping op zijn kantoor door een geweldige ontploffing die hij veroorzaakt bij het flensjes bakken en hij houdt dieren op kantoor. Een humeurige meeuw, een destructieve kat en een goudvis. Guust komt meestal op tijd op zijn werk, maar eenmaal aangekomen, valt hij in slaap achter zijn bureau. Hij wordt bijna nooit boos. „Nou moe”, zegt Guust als het hem teveel wordt. Bij het bureau op de tentoonstelling klinkt een oorverdovend gesnurk. Maar dat kan niet het gesnurk van Guust zijn. Het is het gesnurk van een oude man, niet van de dromerige kantoorbediende. Het bureau is mooi gemaakt. Je kunt op knopjes drukken om de uitvindingen van Guust in werking te laten treden. ‘Om te laten flateren’, staat er op het bordje. Maar dat gesnurk! Al bij het begin van de tentoonstelling klopt het niet. Daar staat de flaterfoon, de voorwereldlijke ‘harp’ van Guust. Als hij dat instrument beroerde, stortten er gebouwen in en hij joeg er walvissen mee op de vlucht – weg van de walvisvaarders. Nu klinkt er wat gerommel en iets wat in de verte klinkt als een didgeredoo, bij lange na niet de oorverdovende vibraties die Franquin suggereerde.

Naast de attributen uit de wereld van Franquin hangen er meer dan 250 originele tekeningen. Slechts tekeningen tentoonstellen is niet genoeg. Hoe mooi ze ook zijn. Het is een feest om Franquins tekeningen in zwart-wit te zien; de schetsen van de lachende monstertjes – een voor elke dag –, zijn dierstudies met lachende neushoorns en de doodles, de abstracte tekeningen die hij aan het einde van zijn leven maakte. Maar uiteindelijk komen strippagina’s het best tot hun recht in een boek en niet aan de muur. Bij deze striptentoonstelling hoort een vertaling van de wereld op papier, in twee dimensies, naar de ruimtelijke. De samenstellers hebben de wereld van Franquin nagebouwd: het oerwoud van de marsupiulami, de flaterfoon, de stoel in de vorm van een hand, de uitvindingen van Guust, zijn het bureau, maar ook de straat met de parkeermeters en verkeersborden. Topstukken van de expositie zijn de twee modellen van de auto’s die Franquin bedacht: de Turbot I en II, die zachtjes ronddraait op een podium. Het zijn vliegtuigen op wielen, aangedreven door een turbine en aerodynamisch zoals dat in de jaren vijftig de mode was – een geloofwaardige vertaling van papier naar object.

Dat geldt ook voor de andere uitvindingen van Franquin in de mechanicazaal. Er staat een zwendelmobiel, de rode vliegmachine met propellers, er is een duikboot, een robot, de madeliefjesmaaier (een kleine grasmaaier waarmee je om de madeliefjes heenmaait) en een van de liefste uitvindingen van Franquin: een harnas voor muizen. Guust besteedt veel energie aan het uitvinden van apparaten voor dieren. Franquin wil de natuur behoeden voor de mens, want diep in zijn hart is Franquin somber gestemd over de wereld. Alle vrolijkheid heeft een keerzijde en die is ook te zien in Brussel. Franquin werd in zijn loopbaan geplaagd door depressies. Soms is dat zichtbaar in de tekeningen; dan is het net of er iemand Guust natekent. Soms is zijn pessimisme zichtbaar in de ideeën voor zijn grappen.

Daaruit komt ook Zwartkijken voort, een artistiek, maar verontrustend hoogtepunt in zijn oeuvre dat hij in de jaren tachtig maakte. Het leven is geen lolletje en de wereld komt spoedig aan zijn einde (want toen hadden we de atoombom nog). De mens is wreed en dom. Zwartkijken is morbide; de dood is daar nadrukkelijk aanwezig; wel even wat anders dan de flensjesbakkende kantoorbediende. Een man ploegt door de sneeuw. Misschien is de bewoonde wereld aan de andere kant van de heuvel, denkt hij. En dan ziet hij lichtjes. ‘Nee jongen, je zult niet bevriezen’, denkt hij, Maar dan, op het laatste plaatje, zien we wat die lichtjes zijn: de ogen van een troep wolven. De man in de sneeuw zal inderdaad niet bevriezen.

Er verschijnen drie delen van de Idées Noires. „Die albums waren meer pessimistisch dan opstandig”, zei Franquin. „Het werd te gemakkelijk, er bestaat zoveel negatiefs. Ik besloot Zwartkijken stop te zetten omdat ik voelde dat het echt te zwart werd. Ik was in zekere zin bang.”

Franquin schrok terug voor zijn eigen pessimisme, juist op het moment dat hij voor het eerst in zijn loopbaan werd gepubliceerd in een stripblad voor volwassenen. In het Franse blad Fluide Glacial hoefde hij geen rekening te houden met tere kinderzieltjes. Maar dat wilde hij toch het liefst wel. Guust was opstandig, maar het bleef altijd netjes. Guust was voor goede doelen. Voor het milieu en Greenpeace. Voor Unicef en Amnesty International. Vloeken is uit den boze. Als Guust iets verkeerd doet, zegt zijn superieur: ‘Grretttvrrrdrrrie!’ Franquin was er zelfs trots op dat zijn uitgever, Dupuis, nauwelijks ingreep.

Op de tentoonstelling bevat de afdeling ‘Zwartkijken’ gehuil en andere vage spookhuisgeluiden. De tekeningen zijn fantastisch. In vitrines hangen de hoofden van personages uit Guust na behandeling door de Jivaros. De gekrompen schedels, tzantzas, zijn verbluffend, maar dit is nou net de afdeling waar je kinderen slecht van slapen. Het oerwoud dat erna komt, is een verademing. De bijbehorende geluiden zijn hier wel goed gekozen, rustgevend zelfs. In de habitat van de marsupilami wordt uitgelegd waar het diertje thuishoort in de evolutie. De marsupilami – een kruising tussen een aap en een pantertje met een meterslange staart die kan grijpen en stompen en wijzen – is de aaibare opstandigheid van Franquin: niet te uitgesproken en niet te wild. De Franse censuur, die lange tijd kinderboeken screende, had het niet zo op het wonderlijke dier. „Het is een absurd wezen dat ongearticuleerde kreten slaakt”, vonden de heren van de censuur (overigens zonder de albums te verbieden). Nou moe! Gelukkig waren zij de enigen die er zo over dachten.

De wereld van Franquin; t/m 15 april 2007 in Autowereld, Jubelpark, Brussel; ma-zo 10-18u. www.lemondedefranquin.com